Inleiding
De patiënt met voorkamerfibrillatie
die een coronaire interventie voor stabiel
coronairlijden of een acuut coronair
syndroom moet ondergaan is géén
zeldzaamheid. Beide aandoeningen zijn
immers het logische gevolg van zo goed
als dezelfde risicofactoren. Zeker bij de
ouder wordende bevolking is het samen
voorkomen van een coronaire interventie
en voorkamerfibrillatie een frequent
én toenemend probleem waarvoor de
wetenschap op dit moment geen pasklaar
antwoord heeft.
De clinicus wordt immers verscheurd
door de keuze voor de meest optimale
antitrombotische therapie, waarbij een
optimale trombotische en embolische
bescherming gebalanceerd moet worden
met een zo laag mogelijk bloedingsrisico.
De mogelijke combinaties zijn gewoon
eindeloos … Dubbele antiplaatjestherapie
met of zonder anticoagulatie? Anticoagulatie
met enkele of dubbele antiplaatjestherapie,
en moet dan aspirine of
de P2Y12-inhibitor sneuvelen? En welke
P2Y12-inhibitor (clopidogrel, prasugrel of
ticagrelor) of anticoagulans (een van de
vier NOACs of een van de drie VKA)
draagt dan de voorkeur weg? En hoe lang
moet dat dan, en varieert de combinatie
ook niet beter over tijd? En in functie
van de complexiteit van de ingreep, het
type stent (BMS vs. DES/BVS), en de
indicatie voor de PCI? Wanneer na de
stentimplantatie is het veilig verder te
gaan met alleen een anticoagulans? Veel
vragen, relatief weinig antwoorden.
Bovendien zijn de diverse antitrombotica
in de praktijk vaak niet uitwisselbaar: ze
voorkomen niet noodzakelijk dezelfde
trombotische complicaties. Enerzijds
moet het risico op een beroerte (CVA)
in de perken gehouden worden. Dat kan
uiteraard veel efficiënter met anticoagulatie
dan met dubbele antiplaatjestherapie
(DAPT).1 Aan de andere kant moet
het risico op een stenttrombose (na PCI)
en/of nieuw coronair event (na een acuut
coronair syndroom, ACS) zo laag mogelijk,
wat efficiënter is met dubbele antiplaatjestherapie
dan met anticoagulatie.2
Vrij vertaald: VKF-patiënten die een
PCI ondergaan (of een ACS doormaken
zonder PCI) hebben eigenlijk nood aan
dubbele antiplaatjestherapie én anticoagulatie,
de beruchte ’triple therapy’. Dat
is ook wat in de richtlijnen staat, toch
voor de gemiddelde patiënt. Tot vrij
recent hadden we alleen de WOEST-studie,
observationele studies en prof. dr.
Heidbuchels praktische gids om ons te
loodsen door het mijnenveld van combinatietherapieën.
3-5
De geplaveide weg
Naast de talrijke observationele studies is
PIONEER pas de tweede, prospectieve,
studie die een oplossing probeert te
bieden voor de gordiaanse triple therapyknoop.
6 Het klinkt overigens gek om
een studie PIONEER te noemen terwijl de WOEST-studie, hier uitgevoerd in
België en Nederland onder leiding van
Willem Dewilde, ongetwijfeld de échte
pioniersstudie was.7 WOEST randomiseerde
patiënten die een indicatie hadden
voor orale anticoagulatie én een
stentimplantatie ondergingen naar ofwel
de klassieke triple therapy (aspirine, clopidogrel
en een VKA) of duale therapie
(clopidogrel plus VKA). De duale arm,
zonder aspirine, leidde tot minder bloedingen
maar ook tot minder ischemische
verwikkelingen. Deze bevindingen
waren ronduit baanbrekend: voor het
eerst werd aspirine geschrapt uit de therapie
na een PCI, maar met WOEST
was ook voor het eerst duidelijk, op een
prospectieve wijze, dat minder soms
beter kan zijn dan meer. Bloedingen,
zelfs kleine, kunnen de aanleiding vormen
om enkele of alle antitrombotica
te stoppen, tijdelijk of permanent. Op
zijn beurt stelt dit de patiënt weer bloot
aan een verhoogd trombotisch risico.
Ofschoon we moeten erkennen dat
WOEST enkele limitaties had, onder
andere het beperkt patiëntenaantal en
de variabele reden voor VKA, toch was
het enigszins frustrerend om nogal wat
opinieleiders buiten de lage landen de
resultaten van deze ‘landmark’ studie te
zien minimaliseren.
De PIONEER-studie
De PIONEER-studie is wél de pionier onder de
triple therapy-studies die NOACs vergelijken
met VKA. PIONEER bestudeerde
in essentie verschillende dosissen
van rivaroxaban versus VKA, maar in
verschillende combinaties van aspirine
en clopidogrel. De keuze voor rivaroxaban
lag voor de hand: rivaroxaban
had immers al perspectieven geopend
in combinatie met dubbele antiplaatjestherapie
(DAPT) bij ACS-patiënten
in de ATLAS-2-studie.8 De combinatie
van 2,5 mg rivaroxaban tweemaal
daags bovenop DAPT ging in deze studie
gepaard met een significant lagere
mortaliteit, evenwel ten nadele van een driemaal hoger risico op majeure (niet-
CABG-gerelateerde) bloeding.
In PIONEER werden patiënten met
VKF die een PCI met stenting ondergingen
gerandomiseerd naar een van
drie verschillende combinaties: de klassieke
combinatie van een VKA, aspirine
en clopidogrel (triple therapy of
T-groep), rivaroxaban 15 mg eenmaal
daags plus clopidogrel maar zonder aspirine
(een WOEST-achtige combinatie of
W-groep), en rivaroxaban 2,5 mg tweemaal
daags plus aspirine plus clopidogrel
(een ‘ATLAS’-achtige combinatie,
of A-groep). Voor de A- en T-groepen
kon clopidogrel één, zes of twaalf maanden
worden gegeven, en dit moest per
protocol vóór de randomisatie door de
behandelende arts doorgegeven worden.
Bij ongeveer de helft van de patiënten
gaf de arts aan dat de patiënt best 12
maanden clopidogrel kreeg, waarschijnlijk
omdat 65 % van de patiënten in de
studie een DES-implantatie onderging,
hoewel we ons met recente studies zoals
ISAR-SAFE perfect comfortabel kunnen
voelen met een veel kortere behandeling
met clopidogrel van 6 maanden, zeker in
combinatie met anticoagulerende therapie.
Slechts een handvol patiënten werd
behandeld met ticagrelor of prasugrel.
Het primair eindpunt van PIONEER
was de incidentie van klinisch relevante
bloeding: TIMI ‘major’ én ‘minor’
bloedingen en bloedingen waarvoor een
medische evaluatie nodig was. Deze studie
was uiteraard te klein om significante
verschillen in beroertes of coronaire complicaties
op te pikken.
Niet iedereen met VKF die een stentimplantatie
onderging, kon in de studie
gerandomiseerd worden. Patiënten
met een verhoogd bloedingsrisico,
meer bepaald met een voorgeschiedenis
van intracraniële hemorragie, CVA
of TIA, een recente bloeding of een
gastro-intestinale bloeding in het voorbije jaar of anemie, nierinsufficiëntie
(GFR > 30 ml/min), mochten niet in de
studie. De PIONEER-patiënten waren
anderzijds wél een vrij representatieve
doorsnede van een cathlabpopulatie. Het
merendeel van de patiënten had een
CHA2DS2-VASc-score van 2 of meer
(90 %). De patiënten waren bovendien
meestal mannelijk (75 %) en gemiddeld
70 jaar oud. Ongeveer 30 % had een
stentimplantatie wegens een myocardinfarct
ondergaan. Ook niet onverwacht in
deze moeilijke populatie is dat pakweg
één op de vijf van de patiënten de hun
toegewezen therapie om een of ander
reden stopten, ongeacht de groep waarin
ze gerandomiseerd waren.
De bloedingscomplicaties, het
primair eindpunt van PIONEER
Na één jaar opvolging waren de resultaten
vrij eenduidig. Beide strategieën
met rivaroxaban (i.e. groepen A & W)
gingen gepaard met een significant lager
risico op klinisch relevante bloedingen:
16,8 % (W) en 18,0 % (A) versus maar
liefst 26,7 % in de triple therapie-arm
(T). Deze indrukwekkende absolute verschillen
maken dat de ‘number needed to
treat’ slechts 12 en 11 is, respectievelijk.
Het overgrote deel van deze klinisch relevante
bloedingen waren minimale bloedingen
en/of bloedingen die medische
aandacht vergden, maar niet de definitie
van TIMI ‘major’ of ‘minor’ bloeding
haalden. Er was immers géén statistisch
verschil in majeure of mineure bloedingen.
Het kleine numerieke verschil in
majeure bloedingen was voornamelijk
gedreven door een significante daling
in hemoglobine in groep T, een labogedreven
eindpunt met andere woorden.
Er was ook géén significant verschil in
transfusies, noch fatale bloedingen tussen
de drie groepen. Toch waren er significant
meer ernstige bloedingen van de
BARC-classificatie 3b in groep T (3,7 %)
versus groep W (1,9 %) en A (2,3 %). Er
waren slechts zes intracraniële hemorragieën
in de totale populatie, zonder verschil tussen de groepen. Ten slotte
was er géén verschil in het verhoogd risico
op VKA-geassocieerde bloedingcomplicaties
tussen de talrijke subgroepen,
inclusief de leeftijd, CHA2DS2-Vf
HAS-BLED-score.
Ischemische en embolische
complicaties
Hoewel het duidelijk is dat PIONEER,
net zoals WOEST en de nog lopende
NOAC-studies, helemaal niet krachtig
genoeg is om relevante en betrouwbare
verschillen op te pikken in de incidentie
van mortaliteit, CVA of niet-fatale cardiale
events, is het niettemin érg verleidelijk
en inspirerend om deze resultaten
ook met een vergrootglas te bekijken.
Samengenomen was er geen statistisch
verschil in de incidentie van cardiovasculair
overlijden, niet-fataal myocardinfarct
en beroerte. Ook was er hoegenaamd
géén verschil in de individuele ischemische/
embolische eindpunten, inclusief
myocardinfarct, cardiovasculaire mortaliteit,
stenttrombose of beroerte. Het
aantal beroertes, toch een belangrijke
focus van een VKF-studie, was erg laag
door het lage aantal patiënten, de korte
opvolging en het eerder lage risicoprofiel
van de patiënten. PIONEER geeft met
andere woorden géén antwoord op de
belangrijke vraag of de bewezen beroertepreventie
van VKA ook geldt voor verlaagde
doses rivaroxaban. Net zoals bij de
bloedingscomplicaties was er overigens
ook geen heterogeniteit tussen de talrijke
subgroepen; geen enkele subgroep had
een voor- of nadeel in een van de drie
groepen.
Hospitalisaties
Tegelijk met de primaire bevindingen
van PIONEER werden ook de resultaten
over het risico op nieuwe hospitalisaties
voorgesteld, in een afzonderlijke publicatie.
9 Gedurende het jaar na randomisatie
waren er significant méér nieuwe
hospitalisaties in groep T versus de twee
rivaroxabangroepen: 41,5 % versus 31,2 (A) en 34,1 (W), wat een NNT van
respectievelijk 10 en 14 betekent. De
hoge aantallen nieuwe hospitalisaties in
de drie groepen illustreren haarfijn de
uitgesproken moeilijk en vaak gecompliceerd
verlopende opvolging bij deze
patiënten. In de VKA-groep was de
reden van hospitalisatie voor twee derden
wegens cardiovasculaire redenen, en één
derde wegens een bloeding, terwijl in de
rivaroxabangroepen driekwart cardiovasculair
gedreven was en de overige voor
bloeding. De toon van het abstract is wél
enigszins misleidend: er wordt expliciet
vermeld dat het eindpunt van mortaliteit
(all-cause) of rehospitalisatie significant
lager is in de twee rivoraxabangroepen.
Technisch gezien is dit uiteraard waar,
maar de oppervlakkige (abstract-) lezer
kan daaruit verkeerdelijk opmaken dat er
ook een voordeel in mortaliteit alleen zou
zijn. Dit is helemaal niet het geval: mortaliteit
was erg laag én niet verschillend
in de drie groepen. Overigens was dit vrij
unieke eindpunt niet expliciet of prospectief
vermeld in het studieprotocol.
Vanuit het perspectief dat een overleden
patiënt niet (meer) kan gehospitaliseerd
worden is deze vorm van rapporteren wel
statistisch verantwoord, maar niettemin
verwarrend voor de haastige of onervaren
lezer. Dit betekent niet dat het voordeel
enkel en alleen in aantal hospitalisaties
triviaal zou zijn. Integendeel: nieuwe
hospitalisaties, hoe kort ook, kunnen
een flinke impact hebben, zowel op ons
gezondheidssysteem, als op het welbehagen
van de patiënt en z’n familie, en zijn
daarom te allen prijze te vermijden.
Is PIONEER dan het definitieve
antwoord?
Het korte antwoord op deze vraag is
zowel ja als nee. Enerzijds bevestigt PIONEER
eindelijk dat de primaire resultaten
van WOEST (‘minder is beter’) ook
gelden voor rivaroxaban, en steunt het de
klinische praktijk in veel centra in België
na WOEST. Ook heeft PIONEER de
lat hoog gelegd met duidelijke resultaten als eerste van de NOACS in een triple
therapie-studie. PIONEER was expliciet
opgezet om de veiligheid van de verschillende
combinaties rivaroxaban te
bestuderen. Om het klinische effect op
beroerte en mortaliteit enerzijds en stenttrombose
en myocardinfarct anderzijds
te bestuderen was deze studie simpelweg
véél te klein. Bovendien weten we niet of
rivaroxaban in de twee PIONEER-dosissen
wel beroerte even goed voorkomt als
de standaard VKA. De 2 x 2,5 mg dosis
werd hiervoor nooit bestudeerd. Ook
de 15 mg dosis werd in ROCKET-AF
enkel in 10 % van de patiënten gebruikt,
en alleen wanneer ze een beperkte nierfunctie
hadden, al is er ook een beperkte
prospectieve ervaring met deze dosis in
Japanse patiënten zonder nierfunctiebeperking.
10, 11 Dit heeft uiteraard implicaties
voor de interpretatie van deze studie,
en de vertaling naar de praktijk.
De twee dosissen rivaroxaban zijn duidelijk
veiliger dan VKA in PIONEER,
maar dan wel tegenover een iets te liberaal
gedoseerde VKA, en alleen in de triple
therapie-combinatie. Dat is eigenlijk
een mes dat dubbel snijdt langs dezelfde
kant: zo wordt het risico op bloeding met
lager gedoseerde rivaroxaban verminderd
versus de dosis die bewezen werkt ter
preventie van beroerte in ROCKET-AF,
terwijl de iets te liberale bovengrens van
INR het risico op bloeding met VKA
verhoogde. Het protocol beval immers
een INR-venster van 2,0 tot 3,0 aan, wat
toch een vrij forse bovengrens inhoudt,
in ieder geval toch voor een studie met
triple therapie. Een INR-venster van 2
tot 3 mag dan wel inderdaad het toelaatbare
venster zijn in de ESC-guidelines,
de streefwaarde is wél 2,5. Het ware
misschien dan toch een eerlijkere vergelijking
geweest om in de studie waarden
boven 2,5 niet toe te laten in de mate van
het mogelijke. De auteurs rapporteerden
alleen de tijd die patiënten in de studie
doorbrachten met een INR tussen 2,0 en
3,0, wat met 65 % zeker respectabel was bij dit type van patiënten; het percentage
van de tijd doorgebracht tussen 2 en
2,5 of tussen 2,5 en 3 werd niet gerapporteerd.
Bovendien is het belangrijk zich te
realiseren dat de twee strategieën met
rivaroxaban werden vergeleken met een
VKA-triple therapie-combinatie die al
in WOEST bewezen had excessief veel
bloedingen te veroorzaken tegenover
duale therapie. Het is niet zeker of de
twee rivaroxabanarmen wel nog significant
veiliger waren geweest tegenover de
succesvolle dubbele arm in WOEST (i.e.
VKA plus clopidogrel). In zekere zin is
dit ook een beetje een gemiste kans van
PIONEER.
Toch, intuïtief kan niemand zich van
de indruk ontdoen dat de combinaties
met verlaagde dosis rivaroxaban, zeker in
de aanwezigheid van (D)APT (die ook
CVA-preventief is12), meer dan voldoende
zijn voor de tijdelijke preventie van een
beroerte na stentimplantatie. Welke dosis
rivaroxaban is dan ideaal? In afwachting
van de beschikbaarheid van de 2,5
mg dosis kan momenteel enkel 15 mg
gebruikt worden, uiteraard. In dit geval
is de combinatie 15 mg rivaroxaban plus
clopidogrel, zonder aspirine, de logische
keuze voor onze Belgische patiënten.
De afwezigheid van aspirine lijkt ook
zoals in WOEST geen effect te hebben
op de incidentie van stenttrombose. Bij
hoog trombotisch risico en/of bewezen
clopidogrel hyporesponders is misschien
de 2,5 mg dosis plus DAPT een meer
logische keuze; ticagrelor (wie weet zelfs
de 60 mg dosis) plus 2,5 mg tweemaal
daags kan in dit geval ook een alternatief
zijn, maar hiermee is de ervaring wel heel
erg beperkt in PIONEER.
De superieure veiligheid van rivaroxaban,
toch in de dosissen bestudeerd in
PIONEER tegenover klassieke VKA-gedreven
triple therapie, is bovendien
uiteraard niet zomaar toepasbaar op
patiëntengroepen die prospectief geëxcludeerd
werden uit deze studie. Dit is
eigen aan grote klinische studies, uiteraard,
maar tegelijk ook een beetje jammer.
Net voor de precaire patiënt met
een gekend verhoogd bloedingsrisico
hebben we nood aan betere evidentie.
Niet alleen jammer, maar misschien ook
een beetje vreemd zelfs dat de resultaten
van PIONEER mogelijk voornamelijk
als lichtend pad zullen gebruikt worden
voor de niet te onderschatten grote groep
van patiënten die eigenlijk niet vertegenwoordigd
werd in de studie. Ook de
nog lopende triple therapie-studies met
de andere NOACs zullen hier wellicht
weinig soelaas brengen.
Wordt vervolgd
Na het baanbrekende pionierswerk van
WOEST geeft ook PIONEER nu aan
dat bloedingscomplicaties én nieuwe
hospitalisaties vermeden kunnen worden
door een meer conservatieve aanpak met
ofwel aspirine weg te laten uit de therapie
van met PCI behandelde patiënten
met VKF ofwel (of tegelijk) het niveau
van anticoagulatie te verminderen. Ook
gezien het gebruikscomfort van een eenmaal
daagse NOAC en de resultaten van
PIONEER is rivaroxaban hiervoor de
meest logische keuze. Het is nu wachten
op de andere NOAC-studies, met dabigatran
(RE-DUAL), apixaban (AUGUSTUS)
en edoxaban (ENTRUST) om
te zien of de gunstige bevindingen van
PIONEER ook gelden voor de andere
NOACs. Interessant is dat in deze nog
lopende studies ook ‘normale’ NOACdoses
bestudeerd worden die wel prospectief
in de VKF-studies beter dan
VKA bevonden werden. Dat zou (nog)
meer vertrouwen kunnen geven qua
beroertepreventie, maar het valt af te
wachten of hier ook bloedingscomplicaties
voldoende mee vermeden kunnen
worden. AUGUSTUS is de enige ‘full
dose’ NOAC-studie die NOAC-combinaties
met de succesvolle dubbele arm
van WOEST vergelijkt.
De intrigerende resultaten van PIONEER
vormen in ieder geval een warme
oproep om de zoektocht naar wat wel
en beter niet gebeurt in triple therapie
nog niet op te geven, zeker wat de
veiligheid van stenttrombose en CVA-preventie
betreft, en patiënten in de mate
van het mogelijke te randomiseren in de
twee nog lopende triple therapiestudies.
Bovendien valt nog veel te leren uit de
dagelijkse praktijk, en hier kunnen registers
zoals de nog rekruterende WOEST-2-studie
zeker hulp bieden.
Referenties
- Connolly, S., Pogue, J., Hart, R. et al. Clopidogrel plus
aspirin versus oral anticoagulation for atrial fibrillation
in the Atrial fibrillation Clopidogrel Trial with
Irbesartan for prevention of Vascular Events (ACTIVE
W): a randomised controlled trial. Lancet, 2006, 367
(9526), 1903-1912.
- Leon, M.B., Baim, D.S., Popma, J.J. et al. A clinical trial
comparing three antithrombotic-drug regimens after
coronary-artery stenting. Stent Anticoagulation Restenosis
Study Investigators. N Engl J Med, 1998, 339
(23), 1665-1671.
- Heidbuchel, H., Verhamme, P., Alings, M. et al. Updated
European Heart Rhythm Association practical
guide on the use of non-vitamin-K antagonist
anticoagulants in patients with non-valvular atrial
fibrillation: Executive summary. Eur Heart J, 2016, pii:
ehw058. [Epub ahead of print].
- Ancedy, Y., Lecoq, C., Saint Etienne, C. et al. Antithrombotic
management in patients with atrial fibrillation
undergoing coronary stent implantation: What
is the impact of guideline adherence? Int J Cardiol,
2016, 203, 987-994.
- Dewilde, W.J., Janssen, P.W., Verheugt, F.W. et al. Triple
therapy for atrial fibrillation and percutaneous coronary
intervention: a contemporary review. J Am Coll
Cardiol, 2014, 64 (12), 1270-1280.
- Gibson, C.M., Mehran, R., Bode, C. et al. Prevention
of Bleeding in Patients with Atrial Fibrillation Undergoing
PCI. N Engl J Med, 2016, [Epub ahead of print].
- Dewilde, W.J., Oirbans, T., Verheugt, F.W. et al. Use of
clopidogrel with or without aspirin in patients taking
oral anticoagulant therapy and undergoing percutaneous
coronary intervention: an open-label, randomised,
controlled trial. Lancet, 2013, 381 (9872),
1107-1115.
- Mega, J.L., Braunwald, E., Wiviott, S.D. et al. Rivaroxaban
in patients with a recent acute coronary
syndrome. N Engl J Med, 2012, 366 (1), 9-19.
- Gibson, C.M., Pinto, D.S., Chi, G. et al. Recurrent Hospitalization
Among Patients With Atrial Fibrillation
Undergoing Intracoronary Stenting Treated With 2
Treatment Strategies of Rivaroxaban or a Dose-Adjusted
Oral Vitamin K Antagonist Treatment Strategy.
Circulation, 2016, [Epub ahead of print].
- Fox, K.A., Piccini, J.P., Wojdyla, D. et al. Prevention
of stroke and systemic embolism with rivaroxaban
compared with warfarin in patients with non-valvular
atrial fibrillation and moderate renal impairment. Eur
Heart J, 2011, 32 (19), 2387-2394.
- Hori, M., Matsumoto, M., Tanahashi, N. et al. Rivaroxaban
vs. warfarin in Japanese patients with atrial
fibrillation - the J-ROCKET AF study. Circ J, 2012, 76
(9), 2104-2111.
- Connolly, S.J., Pogue, J., Hart, R.G. et al. Effect of
clopidogrel added to aspirin in patients with atrial
fibrillation. N Engl J Med, 2009, 360 (20), 2066-2078.
Aucun élément du site web ne peut être reproduit, modifié, diffusé, vendu, publié ou utilisé à des fins commerciales sans autorisation écrite préalable de l’éditeur. Il est également interdit de sauvegarder cette information par voie électronique ou de l’utiliser à des fins illégales.