Introductie
De laatste decennia is de incidentie van
hartfalen afgenomen door grote progressie
in de preventie, behandeling en prognose
van patiënten met hartfalen en verminderde
ejectiefractie (HFrEF).1 Er is
inderdaad een zeer uitgebreid spectrum
aan evidencebased behandelingen voor
HFrEF ter beschikking met de huidige
richtlijnen van de Europese Vereniging
voor Cardiologie (ESC).2 De incidentie
van patiënten met hartfalen en een
bewaarde ejectiefractie (HFpEF) is echter
in dezelfde periode toegenomen en
tegenwoordig heeft minstens 50 % van
alle patiënten die voor hartfalen gehospitaliseerd
worden een bewaarde ejectiefractie.3
Helaas zijn de behandelingsmogelijkheden
voor HFpEF vooralsnog
teleurstellend (figuur 1) en beperken de
ESC-richtlijnen zich tot een symptomatische
behandeling gericht op het verminderen
van congestie en de controle
van comorbiditeiten.2
Het gebrek aan adequate behandelingsopties
voor HFpEF-patiënten kan aan twee belangrijke factoren toegeschreven
worden. Allereerst kampte een groot deel
van de vroegere studies met methodologische
problemen en werden zeer diverse
groepen patiënten bestudeerd.4 Een groter
probleem is echter dat men iets meer
dan 10 jaar geleden nauwelijks kennis
had van de pathofysiologie van HFpEF5
en dat dit pas de laatste jaren geleidelijk
aan het verbeteren is.6, 7
Deze review bespreekt de huidige kennis
omtrent de pathofysiologie van HFpEF,
gevolgd door nieuwe ontwikkelingen op
het gebied van de diagnostiek en een
besluit met mogelijke toekomstige therapeutische
opties.
Pathofysiologie
De afgelopen jaren is de kennis van de
pathofysiologie van HFpEF toegenomen
door wetenschappelijk onderzoek. Een
zeer uitgebreid overzicht van de pathofysiologie
werd onlangs in een fraai overzichtsartikel
besproken.8 Deze review zal
zich beperken tot de huidige kennis
van myocardiale afwijkingen in de linker
ventrikel (LV) bij HFpEF. Karakteristiek
voor HFpEF en de basis voor
de symptomatologie is een toegenomen
stijfheid van het myocard, leidend tot
LV diastolische disfunctie, wat het beste
omschreven kan worden als het onvermogen
van het hart om tot een adequaat
einddiastolisch volume te vullen zonder
al te grote toename van de drukken
in het hart en dit zonder endocardiale
of pericardiale ziekte.9 De toegenomen
stijfheid die wordt waargenomen in het
HFpEF-myocard berust op een complex
samenspel tussen de extracellulaire
matrix en de cardiomyocyten. Alvorens
deze interactie in meer detail te bespreken,
is het nuttig om te bekijken wat
HFpEF lijkt te veroorzaken.
Microvasculaire inflammatie door
metabole comorbiditeiten: de oorzaak
van HFpEF?
In tegenstelling tot in de meeste gevallen
van HFrEF, is de oorzaak van HFpEF
lang onduidelijk geweest. Een patiënt
ontwikkelt bijvoorbeeld HFrEF na een
uitgebreid myocardinfarct, cardiotoxische
chemotherapie of ten gevolge van
atriumfibrillatie met snel ventrikelantwoord.
Bij HFpEF is het nagenoeg
onmogelijk om één welbepaalde oorzaak
aan te duiden, maar recente epidemiologische
studies tonen aan dat met name
de prevalentie van comorbiditeiten zeer
hoog is in deze populatie.
Ondanks het feit dat veel studies buikomtrek
of het aantal patiënten met
overgewicht (body mass index (BMI)
25-30 kg/m2) niet rapporteren, blijkt een
derde van alle patiënten obees te zijn in
een zeer grote registry (BMI ≥ 30 kg/m2).10
Verder bleek in dezelfde registry 46 % van
alle HFpEF-patiënten diabetes mellitus
te hebben. Ook de prevalentie van arteriële
hypertensie is zeer hoog in HFpEF,
variërend van 76 tot zelfs 96 %.10, 11 Ook
COPD en chronische nierinsufficiëntie
zijn veelvoorkomend in HFpEF met
prevalenties van respectievelijk 33 % en
52 %.10 Uiteraard hebben veel patiënten
meer dan één van deze comorbiditeiten
en het aantal comorbiditeiten blijkt
bovendien van prognostisch belang te
zijn.12 De grote overeenkomst tussen deze
metabole comorbiditeiten is het feit dat
zij in staat zijn om een chronische, steriele,
laaggradige inflammatoire status te
creëren die bovendien gepaard gaat met
oxidatieve stress. Deze bevindingen hebben
geleid tot een nieuw paradigma voor
de pathofysiologie van HFpEF.6
Inflammatie en oxidatieve stress in
HFpEF
In het nieuwe paradigma voor de pathofysiologie
van HFpEF staan metabole
comorbiditeiten centraal, aangezien zij
in staat zijn een chronische inflammatoire
status met oxidatieve stress te
creëren die onder andere het endotheel
van de coronaire microvasculatuur treft.6
Inderdaad werd onlangs in het myocard van HFpEF-patiënten een verhoogde
expressie van de vasculaire adhesiemoleculen
E-selectin en Intercellular adhesion
molecule (ICAM)-1 aangetoond in
vergelijking met HFrEF en patiënten
met aortaklepstenose (AS), wijzend op
microvasculaire inflammatie in HFpEF
(figuur 2). Ook de concentratie waterstofperoxide
(H2O2) bleek significant
hoger te zijn in HFpEF-myocard dan in HFrEF of myocardweefsel van patiënten
met aortaklepstenose, wijzend op oxidatieve
stress.13
Deze humane bevindingen werden bevestigd
in een recent ontwikkeld ratmodel
voor HFpEF.13 Dit ratmodel maakt
gebruik van obese ZSF-1-ratten: een
kruising tussen Zucker diabetic fatty- en
Spontaneously hypertensive heart failure-ratten. Deze kruising leidt tot ratten
die bij geboorte hypertensief zijn, maar
door hun leptineresistentie geen verzadigingsgevoel
kennen en daardoor obesitas
en vervolgens diabetes mellitus ontwikkelen.
Cardiaal ontwikkelen zij een duidelijk
beeld van HFpEF met concentrische
LV-hypertrofie, bewaarde systolische
functie, verhoogde vullingsdrukken
en pulmonaire congestie.14 Het feit dat
alleen de obese ratten met diabetes mellitus
het HFpEF-fenotype ontwikkelen
en hypertensieve controleratten een normale
cardiale functie behouden, pleit
sterk voor het belang van de metabole
comorbiditeiten in de HFpEF-pathofysiologie.14 In deze obese ZSF-1-ratten
bleek er duidelijk meer expressie te zijn
van E-selectin en ICAM-1, maar ook van
CD68 en myeloperoxidase, markers voor
monocyten/macrofagen en hun geactiveerde
toestand.13 Ook de vascular cell
adhesion molecule bleek voorheen al een
verhoogde expressie in HFpEF te hebben.15
Behalve inflammatoire markers
bleek ook de concentratie van H2O2 in
de obese ZSF-1-ratten hoger dan in de
controles.
Een van de belangrijke enzymen die
myocardiale oxidatieve stress kan genereren,
is nicotinamide adenine dinucleotide
phosphate (NADPH) oxidase-2
(NOX2) (figuur 2). Dit enzym bleek
eveneens verhoogd te zijn in het myocard
van HFpEF-patiënten en obese ZSF-
1-ratten, maar deze verhoogde expressie
bleek vooral gelokaliseerd ter hoogte van
het microvasculair endotheel en macrofagen,
terwijl er geen toename was in
NOX2-expressie van de cardiomyocyten.13 In een recente postmortemstudie
werd bovendien aangetoond dat HFpEFmyocard
gekenmerkt wordt door een
lagere densiteit aan capillairen (‘capillary
rarefaction’).16 Deze bevindingen suggereren
dat de pathofysiologie van HFpEF
zich primair in het endotheel afspeelt en
van hieruit de cardiomyocytaire en myocardiale
functie beïnvloedt en niet zozeer
een primair cardiomyocytair probleem
is. De effecten van deze microvasculaire
endotheliale inflammatie en oxidatieve
stress op het functioneren van de cardiomyocyten
worden verder besproken.
Verhoogde myocardiale stijfheid in
HFpEF
Belangrijke kennis omtrent de basis van
de verhoogde myocardiale stijfheid in
HFpEF werd verkregen door experimenten
op HFpEF-biopten.17 Uit deze
endomyocardiale biopten werden cardiomyocyten
geïsoleerd en deze werden
onder een microscoop bevestigd tussen
een krachtopnemer en een lengtemotor.
Dit maakt het mogelijk om de
passieve kracht (Fpassive) te meten die
gegenereerd wordt wanneer deze cardiomyocyten
uitgerekt worden. Deze Fpassive
bleek duidelijk hoger te zijn dan bij
controlebiopten. Bovendien correleerden
Fpassive en de mate van fibrose (collagen
volume fraction, CVF) met de invasief
gemeten parameters voor diastolische
functie in de patiënten.17 Belangrijk was
verder de observatie dat toediening van
proteïne kinase A (PKA) de stijfheid van
de cardiomyocyten kon normaliseren en
dit vermoedelijk door een hypofosforylatie
van het enorme cardiomyocytaire
eiwit titine te corrigeren17 (figuur 2). Titine
is het grootste eiwit in het menselijk
lichaam en geeft enerzijds steun aan de
contractiele filamenten (actine en myosine)
en houdt deze op hun plaats, maar
anderzijds bepaalt titine de stijfheid van
de cardiomyocyt.18 Vervolgstudies hebben
aangetoond dat titine in humane
HFpEF-biopten, maar ook in de obese ZSF-1-ratten inderdaad gehypofosforyleerd
is en dit leidde tot stijvere cardiomyocyten,
wat gecorrigeerd kon worden
met PKA of PKG.14, 19, 20 Verder bleken
cardiomyocyten van HFpEF-biopten
groter en stijver te zijn dan HFrEF-cardiomyocyten
en dit onafhankelijk van
de CVF, wat suggereert dat de cardiomyocyten/
titine in de myocardiale stijfheid
misschien wel een belangrijkere rol
speelt dan fibrose van de extracellulaire
matrix.19 Daarenboven bleken de obese
ZSF-1-ratten een duidelijk HFpEF-fenotype
te hebben zonder veranderingen in
het collageenmetabolisme.14
Aangezien dit voor de pathofysiologie
van groot belang is, zijn de relatieve bijdragen
van cardiomyocyten en fibrose in
HFpEF dan ook recentelijk verder onderzocht
in fijne myocardiale spierstrips.
Deze spierstrips worden eveneens bevestigd
tussen een krachtopnemer en een
lengtemotor, maar het verschil met de
enkele cardiomyocyten is dat de gemeten
Fpassive bij het oprekken nu zowel door
de cardiomyocyten als door de extracellulaire
matrix gegenereerd wordt. Door
aan deze strips een oplossing van KI en
KCl toe te dienen, worden alle cardiomyocytaire
eiwitten ontkoppeld, maar
blijft de extracellulaire matrix intact.
Door de strips nadien opnieuw op te
rekken, kan de bijdrage van de extracellulaire
matrix aan Fpassive berekend
worden. Experimenten in de obese ZSF-1-ratten toonden aan dat de extracellulaire
matrix pas bij (vermoedelijk) suprafysiologische
uitrekking van de spierstrip
een rol begon te spelen.14 Een recente
studie waarbij biopten genomen werden
van HFpEF-patiënten tijdens CABG,
toonde inderdaad aan dat de extracellulaire
matrix pas bij belangrijke uitrekking
van de spierstrip een significante
bijdrage krijgt in de myocardiale stijfheid.21
Mogelijke verklaringen voor deze
bevindingen zijn dat de extracellulaire
matrix in de stijfheid louter een rol heeft
in de bescherming tegen overrekking
van het myocard, maar ook dat fibrose
van het myocard pas in een vergevorderd
stadium van HFpEF optreedt. Immers,
in tegenstelling tot HFrEF, waar fibrose
afgestorven cardiomyocyten vervangt
(‘replacement fibrosis’), is de fibrose in
HFpEF reactionair en vervangt deze
geen cardiomyocyten, zodat dit mogelijk
pas in een later stadium van de ziekte een
belangrijkere rol speelt.6
De relatie tussen comorbiditeiten,
inflammatie, oxidatieve stress en
myocardiale stijfheid
Zoals hierboven besproken, kent HFpEF
een hoge prevalentie van metabole
comorbiditeiten die inflammatie en oxidatieve
stress kunnen induceren en wordt
het HFpEF-myocard gekenmerkt door
voornamelijk toegenomen cardiomyocytaire
stijfheid. Het endotheel van de
microvasculatuur en de aldaar geproduceerde
stikstofoxide (NO) vormen de
ontbrekende schakel tussen deze bevindingen
(figuur 2). Inflammatie en oxidatieve
stress leiden in het endotheel tot een
disfunctie van eNOS (endothelial nitric
oxide synthase). eNOS is het enzym dat
NO produceert en het functioneert in
gezond endotheel als een dimeer, maar
in geval van een overmaat aan vrije
zuurstofradicalen kan eNOS ‘ontkoppelen’
in monomeren die geen NO maar
superoxide produceren.22 Superoxide is
een zeer reactieve vrije zuurstofradicaal
dat niet alleen tot verdere disfunctie van
eNOS leidt, maar bovendien met het
aanwezige NO een reactie aangaat en zo
peroxynitriet vormt. Peroxynitriet is op
zijn beurt een zeer reactief nitraatderivaat
dat directe toxische effecten op eiwitstructuren
heeft (‘nitrosylatie’) en kan
bijvoorbeeld 3-nitrotyrosine vormen23
(figuur 2). Het gevolg van deze reacties
is een verminderde NO-beschikbaarheid
in het HFpEF-myocard en deze cascade
aan events werd recentelijk ook bevestigd
in humane experimenten en in het obese
ZSF-1-ratmodel.13
NO speelt een belangrijke rol in de
functie van cardiomyocyten. In de eerste
plaats reguleert NO mede de contractiliteit
van de cardiomyocyt via de
activiteit van de ryanodinereceptoren,
via dewelke de influx van Ca2+ vanuit
het sarcoplasmatisch reticulum naar het
cytosol verloopt.24 Daarnaast moduleert
NO de eerste, actieve fase van de diastole
via controle over de activiteit van de
sarcoplasmatisch reticulum Ca2+-ATP-ase
(SERCA) en dus de heropname van Ca2+
vanuit het cytosol.25 Ook de passieve
relaxatie tijdens de diastole wordt sterk
beïnvloedt door NO via downstreameffecten
op cyclisch guanosine monofosfaat
(cGMP) en uiteindelijk PKGactiviteit.
NO kan in de cardiomyocyt
soluble guanylate cyclase (sGC) stimuleren
tot cGMP-productie, wat op zijn
beurt PKG-activiteit verhoogt (figuur 2).
Bij verminderde NO-beschikbaarheid
kan deze NO-sGC-cGMP-PKG-cascade
dan ook in het gedrang komen. Vroegere
studies konden inderdaad al aantonen
dat er in humane HFpEF-biopten een
verlaagde cGMP-concentratie en PKGactiviteit
was, wat weer geassocieerd
was met stijvere cardiomyocyten.20 Ook
recente experimenten in het obese ZSF-
1-ratmodel konden verminderde NObeschikbaarheid,
gedaalde cGMP-concentraties
en verminderde PKG-activiteit
aantonen.13 Deze bevindingen bevestigen
het HFpEF-paradigma waarin metabole
comorbiteiten door inflammatie en oxidatieve
stress leiden tot een NO-tekort
met als gevolg een verminderde PKG-activiteit
met uiteindelijk titine-hypofosforylatie
en toegenomen myocardiale
stijfheid.6
Diagnostische ontwikkelingen
Een eerste diagnostisch algoritme van
HFpEF werd in 2007 opgesteld en in de
klinische praktijk wordt met name van
de echocardiografische criteria gebruikgemaakt,
eventueel aangevuld met bepaling
van natriuretische peptiden.26 Echter,
normale natriuretische peptiden sluiten
HFpEF niet uit.27 Een belangrijk nadeel
van deze richtlijnen is het feit dat deze
metingen in rust en vaak zelfs in nuchtere
toestand plaatsvinden, al dan niet
tijdens een ziekenhuisopname met vochten
zoutbeperking. Veel patiënten zijn
in rust klachtenvrij en worden slechts
symptomatisch tijdens het verrichten van
een (beperkte) inspanning. Inderdaad
is bij recente invasieve studies gebleken
dat lichte inspanningen (zoals deze in
het dagelijks leven verricht worden) leiden
tot een belangrijke stijging van de
einddiastolisch LV-drukken en symptomen
kunnen uitlokken.28-30 Ook blijken
HFpEF-patiënten zeer gevoelig te zijn
voor relatief kleine veranderingen in vullingstoestand,
zodat nuchtere meetwaarden
in het ziekenhuis vaak geen betrouwbaar
beeld geven van de ambulante situatie.
31 Deze bevindingen suggereren dat
veel HFpEF-patiënten gemist worden in
de momenteel gangbare diagnostische
uitwerking. Daarnaast is onlangs aangetoond
dat in symptomatische patiënten
met onverklaarde pulmonale hypertensie,
normale LV-ejectiefractie en een lage
wiggedruk in rust een milde inspanning
tijdens de katheterisatie de vullingsdrukken
snel liet oplopen en een diagnose van
diastolische disfunctie gesteld kon worden.32
Deze bevindingen suggereren een
toekomstige rol voor inspanningstesten
in de diagnose van HFpEF.33
Daarnaast is er een grote ontwikkeling
op het gebied van biomarkers, die met
name gebaseerd zijn op de collageendepositie
(fibrose) in de extracellulaire matrix.
Van alle mogelijke biomarkers is alleen
van PICP (het carboxy-terminal propeptide
van procollageen 1) en PIIINP (het
amino-terminal propeptide van procollageen
III) bewezen dat deze geassocieerd
zijn met myocardiale fibrose.34
Mogelijk schuilt de toepassing van deze
biomarkers en andere diagnostische ontwikkelingen
vooral in het feit dat zij
kunnen helpen HFpEF-patiënten te graderen in functie van het stadium van de
ziekte. Mogelijk bestaat de initiële fase
van HFpEF vooral uit veranderingen in
titine, maar wordt in een later stadium
de myocardiale fibrose belangrijker en
het lijkt dan ook evident dat beide fasen
een verschillende behandeling vragen.
Therapeutische ontwikkelingen
Tot op heden hadden alle studies in
HFpEF hooguit neutrale resultaten. Dit
was, zoals al vermeld, vooral te wijten
aan het tekort aan kennis omtrent de
pathofysiologie van HFpEF. Nu het duidelijk
is geworden dat HFpEF een heel
andere pathofysiologie heeft dan HFrEF,
is het bijna vanzelfsprekend dat we niet
kunnen veronderstellen dat een HFrEFbehandeling
succesvol is in HFpEF.
Inderdaad bleek inmiddels dat de klassieke
HFrEF-behandeling met bètablokkers,
ACE-inhibitoren, angiotensinereceptorblokkers
en digoxine niet tot een
betere overleving of gunstige effecten op
ziekteprogressie in HFpEF leiden.35-38
Recentere studies, ook afgeleid van de
HFrEF-behandelingsopties leken met
het oog op de pathofysiologie beloftevoller.
Sildenafil is een gekende inhibitor
van fosfodi-esterase (PDE) 5, het
enzym dat cGMP afbreekt. Remming
van cGMP-afbraak zou dan ook tot
een stijging van cGMP-concentratie en
PKG-activiteit in de cardiomyocyt kunnen
leiden. Deze hypothese werd in de
RELAX-trial getest, maar chronische
behandeling met sildenafil leidde niet
tot een betere inspanningscapaciteit of
klinische status, maar had ook geen
significante hemodynamische verbetering
en bovendien zag men geen stijging
in cGMP-concentratie.39 Enerzijds kunnen
deze teleurstellende resultaten van
sildenafil verklaard worden door het
vergevorderde stadium van de patiënten
(onder andere hoge prevalentie van
atriumfibrillatie), maar ook door het feit
dat de aanmaak van cGMP via verminderde
NO-beschikbaarheid verlaagd is,
maar niet zozeer doordat de afbraak van
cGMP is toegenomen in HFpEF.
Verder werd ook in HFpEF de indicatie
van aldosteronantagonisten bekeken,
aangezien deze in HFrEF de totale en
cardiovasculaire mortaliteit doen verminderen.40-42 Aldosteron staat in verband
met endotheliale inflammatie en disfunctie,
natriumretentie, fibrose en (concentrische)
LV-hypertrofie43-45 en daarom
lijken aldosteronantagonisten beloftevol
in HFpEF. In één studie (ALDO-DHF)
werd echter slechts een lichte echocardiografische
verbetering geobserveerd zonder
verbeterde inspanningscapaciteit.46
Een andere studie (TOPCAT) werd
helaas verstoord door belangrijke regionale
verschillen (Noord- en Zuid-Amerikaanse
landen versus Oost-Europese
landen) met zeer verschillende patiëntengroepen,
waarbij men vooral in de
Amerikaanse landen (met ziekere mensen)
een afname van overlijden en hartfalenhospitalisaties
waarnam.47, 48 Dit toont
aan dat een goede selectie/stadiëring van
patiënten essentieel is.
De huidige kennis van de pathofysiologie
wijst er zoals gezegd op dat het aanpakken
van de NO-sGC-cGMP-PKG-cascade
myocardiale stijfheid kan verminderen
(figuur 2). Idealiter wordt, net zoals
men bij HFrEF probeert, de oorzaak van
het hartfalen behandeld. Bij HFpEF zou
men dan ook de bron van de inflammatie
en oxidatieve stress aanpakken.
In het geval van obesitas, bijvoorbeeld,
is wel aangetoond dat gewichtsverlies
gunstige effecten op het hart en de diastolische
functie heeft,49 maar er is nog
geen wetenschappelijk bewijs dat dit
HFpEF daadwerkelijk geneest. Bovendien
is het algemeen geweten dat levensstijlverandering
als primair therapeutisch
aangrijpingspunt niet altijd haalbaar is
en daarom vindt veel onderzoek naar
een farmacologische aanpak plaats. Een
lopende studie onderzoekt wel de effecten
van timing, intensiteit en duur van een cardiaal revalidatieprogramma in
HFpEF (NCT02078947).
Aangezien bij toediening van organisch
NO, in de hoop zo sGC-cGMP-PKG te
stimuleren, vaak gewenning50 optreedt
of symptomatische hypotensie,51 wordt
gezocht naar alternatieven en afgeleiden
hiervan. Acute toediening van inorganische
nitriet leidde tot een duidelijke
afname van de wiggedruk en cardiac
output tijdens inspanningstesten waarbij
gelijktijdig invasieve hemodynamicametingen
werden verricht, maar
uiteraard zijn verdere studies nodig om
de effecten van een chronische behandeling
te onderzoeken.52 Ook andere
producten die uiteindelijk de cGMPconcentratie
proberen te verhogen zijn
in onderzoek. De sGC-stimulator vericiguat
wordt momenteel in een fase
II-studie getest in HFpEF.53 LCZ696
remt de afbraak van natriuretische
peptides die via een andere receptor,
particulate guanylate cyclase (pGC)
de aanmaak van cGMP stimuleren en
wordt momenteel in een multicenter
studie onderzocht (NCT01920711).
Aangezien cGMP-concentraties in het
myocard laag zijn en deze alternatieve
route dan ook op zich onvoldoende
compenseert voor het falen van de
NO-sGC-route, kan stimulatie van de
pGC-receptor zinvol zijn. Verder is,
nadat veel onderzoek zich richtte op
PDE5-inhibitoren, onlangs ook PDE9-expressie in het menselijke hart aangetoond
en deze expressie was met name
in HFpEF verhoogd.54 In het translationele
aspect van deze studie bleek dat in
diermodellen PDE9 vooral ingrijpt op
cGMP dat via natriuretische peptiden
wordt aangemaakt en PDE9-inhibitie
bood bescherming tegen neurohormonen
en drukoverbelasting.54 De nieuwe
kennis van de pathofysiologie is een
bron aan therapeutische aangrijpingspunten
die dan ook uitgebreid bestudeerd
worden,7 maar voorlopig blijven
de behandeladviezen nog altijd beperkt
tot het verminderen van congestie en
het behandelen van de comorbiditeiten.
Conclusie
Translationeel onderzoek in HFpEF
heeft de laatste jaren geleid tot een
duidelijker beeld van de pathofysiologie,
waarbij metabole comorbiditeiten
inflammatie en oxidatieve stress van het
microvasculair endotheel induceren met
secundair een verminderde NO-beschikbaarheid.
Aangezien HFpEF-patiënten
nog altijd een zeer heterogene groep zijn
en veel patiënten miskend worden, lijkt
een nieuwe invasief hemodynamische
aanpak bruikbaar om patiënten correct
te identificeren en kunnen in de toekomst
biomarkers patiënten waarschijnlijk
stadiëren. Op deze manier kunnen
nieuwere farmaca die aangrijpen op de
NO-sGC-cGMP-PKG-cascade bij de
juiste patiënten getest worden, hopelijk
leidend tot evidencebased behandelingen
in HFpEF.
Referenties
- Gerber, Y., Weston, S.A, Redfield, M.M., Chamberlain,
A.M., Manemann, S.M., Jiang, R. et al. A Contemporary
Appraisal of the Heart Failure Epidemic in Olmsted
County, Minnesota, 2000 to 2010. JAMA Intern Med,
2015, 175, 996-1004.
- McMurray, J.J.V., Adamopoulos, S,. Anker, S.D., Auricchio,
A., Böhm, M., Dickstein, K. et al. ESC Guidelines
for the diagnosis and treatment of acute and chronic
heart failure 2012: The Task Force for the Diagnosis
and Treatment of Acute and Chronic Heart Failure
2012 of the European Society of Cardiology. Developed
in collaboration with the Heart Failure Association
(HFA) of the ESC. Eur Heart J, 2012, 33, 1787-1847.
- Owan, T.E., Hodge, D.O., Herges, R.M., Jacobsen, S.J.,
Roger, V.L., Redfield, M.M. Trends in prevalence and
outcome of heart failure with preserved ejection fraction.
N Engl J Med, 2006, 355, 251-259.
- Paulus, W.J., van Ballegoij, J.J.M. Treatment of heart
failure with normal ejection fraction: an inconvenient
truth! J Am Coll Cardiol, 2010, 55, 526-537.
- Redfield, M.M. Understanding “diastolic” heart failure.
N Engl J Med, 2004, 350, 1930-1931.
- Paulus, W.J., Tschöpe, C. A novel paradigm for heart
failure with preserved ejection fraction: comorbidities
drive myocardial dysfunction and remodeling through
coronary microvascular endothelial inflammation. J
Am Coll Cardiol, 2013, 62, 263-271.
- Franssen, C., Chen, S., Hamdani, N., Paulus, W.J. From
comorbidities to heart failure with preserved ejection
fraction: a story of oxidative stress. Heart, Published
Online First: 16 December 2015, doi:10.1136/
heartjnl- 2015-307787.
- Borlaug, B.A.. The pathophysiology of heart failure
with preserved ejection fraction. Nat Rev Cardiol,
2014, 11, 507-515.
- Aurigemma, G.P., Zile, M.R., Gaasch, W.H. Contractile
behavior of the left ventricle in diastolic heart failure:
with emphasis on regional systolic function. Circulation,
2006, 113, 296-304.
- Steinberg, B.A., Zhao, X., Heidenreich, P.A., Peterson,
E.D., Bhatt D.L., Cannon C.P. et al. Trends in patients
hospitalized with heart failure and preserved left ventricular
ejection fraction: prevalence, therapies, and
outcomes. Circulation, 2012, 126, 65-75.
- Lam, C.S.P., Roger, V.L., Rodeheffer, R.J., Bursi, F., Borlaug,
B.A., Ommen, S.R. et al. Cardiac structure and
ventricular-vascular function in persons with heart
failure and preserved ejection fraction from Olmsted
County, Minnesota. Circulation, 2007, 115, 1982-1990.
- Ather, S., Chan, W,. Bozkurt, B., Aguilar, D., Ramasubbu,
K., Zachariah, A.A. et al. Impact of noncardiac
comorbidities on morbidity and mortality in a predominantly
male population with heart failure and
preserved versus reduced ejection fraction. J Am Coll
Cardiol, 2012, 59, 998-1005.
- Franssen, C., Chen, S., Unger, A., Korkmaz, H.I., De Keulenaer,
G.W., Tschöpe, C. et al. Myocardial Microvascular
Inflammatory Endothelial Activation in Heart
Failure With Preserved Ejection Fraction. JCHF, 2015,
doi:10.1016/j.jchf.2015.10.007.
- Hamdani, N., Franssen, C., Lourenço, A., Falcão-Pires,
I., Fontoura, D., Leite, S. et al. Myocardial titin hypophosphorylation
importantly contributes to heart
failure with preserved ejection fraction in a rat metabolic
risk model. Circ Heart Fail, 2013, 6, 1239-1249.
- Westermann, D., Lindner, D., Kasner, M., Zietsch, C.,
Savvatis, K., Escher, F. et al. Cardiac inflammation
contributes to changes in the extracellular matrix in
patients with heart failure and normal ejection fraction.
Circ Heart Fail, 2011, 4, 44-52.
- Mohammed, S.F., Hussain, S., Mirzoyev, S.A., Edwards,
W.D., Maleszewski, J.J., Redfield, M.M. Coronary Microvascular
Rarefaction and Myocardial Fibrosis in
Heart Failure With Preserved Ejection Fraction. Circulation,
2014, 131, 550-559.
- Borbély, A., van der Velden, J., Papp, Z., Bronzwaer,
J.G.F., Edes, I., Stienen, G.J.M., et al. Cardiomyocyte
stiffness in diastolic heart failure. Circulation, 2005,
111, 774-781.
- Linke, W.A., Hamdani, N. Gigantic business: titin properties
and function through thick and thin. Circ Res,
2014, 114, 1052-1068.
- van Heerebeek, L., Borbély, A., Niessen, H.W.M., Bronzwaer,
J.G.F., van der Velden, J., Stienen, G.J.M. et al.
Myocardial structure and function differ in systolic
and diastolic heart failure. Circulation, 2006, 113,
1966-1973.
- van Heerebeek, L., Hamdani, N., Falcão-Pires, I., Leite-
Moreira, A.F., Begieneman, M.P. V., Bronzwaer, J.G.F. et
al. Low myocardial protein kinase g activity in heart
failure with preserved ejection fraction. Circulation,
2012, 126, 830-839.
- Zile, M.R., Baicu, C.F., Ikonomidis, J., Stroud, R.E., Nietert,
P.J., Bradshaw, A.D. et al. Myocardial Stiffness in
Patients with Heart Failure and a Preserved Ejection
Fraction: Contributions of Collagen and Titin. Circulation,
2015, 131, 1247-1259.
- Carnicer, R., Crabtree, M.J., Sivakumaran, V., Casadei,
B., Kass, D.A. Nitric oxide synthases in heart failure.
Antioxid Redox Signal, 2013, 18, 1078-1099.
- Zhang, M., Shah, A.M. ROS signalling between endothelial
cells and cardiac cells. Cardiovasc Res, 2014,
102, 249-257.
- Zahradníková, A., Minarovic, I., Venema, R.C., Meszaros,
L. Inactivation of the cardiac ryanodine receptor
calcium release channel by nitric oxide. Cell Calcium,
1997, 22, 447-453.
- Maltsev, A.V., Kokoz, Y.M., Evdokimovskii, E.V., Pimenov,
O.Y., Reyes, S., Alekseev, A.E. Alpha-2 adrenoceptors
and imidazoline receptors in cardiomyocytes
mediate counterbalancing effect of agmatine on NO
synthesis and intracellular calcium handling. J Mol
Cell Cardiol, 2014, 68, 66-74.
- Paulus, W.J., Tschöpe, C., Sanderson, J.E., Rusconi, C.,
Flachskampf, F.A., Rademakers, F.E. et al. How to diagnose
diastolic heart failure: a consensus statement on
the diagnosis of heart failure with normal left ventricular
ejection fraction by the Heart Failure and Echocardiography
Associations of the European Society of
Cardiology. Eur Heart J, 2007, 28, 2539-2550.
- Anjan, V.Y., Loftus, T.M., Burke, M.A., Akhter, N., Fonarow,
G.C., Gheorghiade, M. et al. Prevalence, Clinical
Phenotype, and Outcomes Associated With Normal BType
Natriuretic Peptide Levels in Heart Failure With
Preserved Ejection Fraction. Am J Cardiol, 2012, 110,
870-876.
- Dorfs, S., Zeh, W., Hochholzer, W., Jander, N., Kienzle,
R.-P., Pieske, B. et al. Pulmonary capillary wedge
pressure during exercise and long-term mortality in
patients with suspected heart failure with preserved
ejection fraction. Eur Heart J, 2014, 35, 3103-3112.
- Borlaug, B.A., Nishimura, R.A., Sorajja, P., Lam, C.S.P.,
Redfield, M.M. Exercise hemodynamics enhance diagnosis
of early heart failure with preserved ejection
fraction. Circ Heart Fail, 2010, 3, 588-595.
- Borlaug, B.A. Exercise haemodynamics and outcome
in patients with dyspnoea. Eur Heart J, 2014, 35,
3085-3087.
- Fujimoto, N., Borlaug, B.A., Lewis, G.D., Hastings, J.L.,
Shafer, K.M., Bhella, P.S., et al. Hemodynamic responses
to rapid saline loading: the impact of age, sex, and
heart failure. Circulation, 2013, 127, 55-62.
- Maor, E., Grossman, Y., Balmor, R.G., Segel, M., Fefer,
P., Ben-Zekry, S. et al. Exercise haemodynamics may
unmask the diagnosis of diastolic dysfunction among
patients with pulmonary hypertension. Eur J Heart
Fail, 2015, 17, 151-158.
- Franssen, C., Paulus, W.J. Normal resting pulmonary
artery wedge pressure: a diagnostic trap for heart failure
with preserved ejection fraction. Eur J Heart Fail,
2015, 17, 132-134.
- López, B., González, A., Ravassa, S., Beaumont, J., Moreno,
M.U., San José, G. et al. Circulating Biomarkers
of Myocardial Fibrosis. J Am Coll Cardiol, 2015, 65,
2449-2456.
- Massie, B.M., Nelson, J.J., Lukas, M.A., Greenberg, B.,
Fowler, M.B., Gilbert, E.M. et al. Comparison of outcomes
and usefulness of carvedilol across a spectrum
of left ventricular ejection fractions in patients with
heart failure in clinical practice. Am J Cardiol, 2007,
99, 1263-1268.
- Cleland, J.G.F., Tendera, M., Adamus, J., Freemantle, N.,
Polonski, L., Taylor, J. The perindopril in elderly people with chronic heart failure (PEP-CHF) study. Eur Heart
J, 2006, 27, 2338-2345.
- Yusuf, S., Pfeffer, M.A., Swedberg, K., Granger, C.B.,
Held, P., McMurray, J.J.V. et al. Effects of candesartan
in patients with chronic heart failure and preserved
left-ventricular ejection fraction: the CHARM-Preserved
Trial. Lancet, 2003, 362, 777-781.
- Ahmed, A., Rich, M.W., Fleg, J.L., Zile, M.R., Young, J.B.,
Kitzman, D.W., et al. Effects of digoxin on morbidity
and mortality in diastolic heart failure: the ancillary
digitalis investigation group trial. Circulation, 2006,
114, 397-403.
- Redfield, M.M., Chen, H.H., Borlaug, B.A., Semigran,
M.J., Lee, K.L., Lewis, G. et al. Effect of phosphodiesterase-
5 inhibition on exercise capacity and clinical
status in heart failure with preserved ejection fraction:
a randomized clinical trial. JAMA, 2013, 309,
1268-1277.
- Pitt, B., Zannad, F., Remme, W.J., Cody, R., Castaigne,
A., Perez, A. et al. The effect of spironolactone on
morbidity and mortality in patients with severe heart
failure. Randomized Aldactone Evaluation Study Investigators.
N Engl J Med, 1999, 341, 709-17.
- Pitt, B., Remme, W., Zannad, F., Neaton, J., Martinez,
F., Roniker, B. et al. Eplerenone, a selective aldosterone
blocker, in patients with left ventricular dysfunction
after myocardial infarction. N Engl J Med, 2003, 348,
1309-1321
- Zannad, F., McMurray, J.J.V., Krum, H., van Veldhuisen,
D.J., Swedberg, K., Shi, H. et al. Eplerenone in patients
with systolic heart failure and mild symptoms. N Engl
J Med, 2011, 364, 11-21.
- Borlaug, B.A., Paulus, W.J. Heart failure with preserved
ejection fraction: pathophysiology, diagnosis, and
treatment. Eur Heart J, 2011, 32, 670-679.
- Weber, K.T. Aldosterone in congestive heart failure. N
Engl J Med, 2001, 345, 1689-1697.
- Edelmann, F., Tomaschitz, A., Wachter, R., Gelbrich,
G., Knoke, M., Düngen, H-D. et al. Serum aldosterone
and its relationship to left ventricular structure and
geometry in patients with preserved left ventricular
ejection fraction. Eur Heart J, 2012, 33, 203-212.
- Edelmann, F., Wachter, R., Schmidt, A.G., Kraigher-
Krainer, E., Colantonio, C., Kamke, W., et al. Effect of
spironolactone on diastolic function and exercise capacity
in patients with heart failure with preserved
ejection fraction: the Aldo-DHF randomized controlled
trial. JAMA, 2013, 309, 781-791.
- Pitt, B., Pfeffer, M.A., Assmann, S.F., Boineau, R.,
Anand, I.S., Claggett, B. et al. Spironolactone for Heart
Failure with Preserved Ejection Fraction. N Engl J Med,
2014, 370, 1383-1392.
- Pfeffer, M.A., Claggett, B., Assmann, S.F., Boineau, R.,
Anand, I.S., Clausell, N. et al. Regional Variation in
Patients and Outcomes in the Treatment of Preserved
Cardiac Function Heart Failure With an Aldosterone
Antagonist (TOPCAT) Trial. Circulation, 2015, 131, 24-43.
- Valezi, A.C., Machado, V.H.S. Morphofunctional evaluation
of the heart of obese patients before and after
bariatric surgery. Obes Surg, 2011, 21, 1693-1697.
- Münzel, T., Daiber, A., Gori T. Nitrate therapy: new
aspects concerning molecular action and tolerance.
Circulation, 2011, 123, 2132-2144.
- Schwartzenberg, S., Redfield, M.M., From, A.M., Sorajja,
P., Nishimura, R.A., Borlaug, B.A. Effects of vasodilation
in heart failure with preserved or reduced
ejection fraction implications of distinct pathophysiologies
on response to therapy. J Am Coll Cardiol,
2012, 59, 442-451.
- Borlaug, B.A., Koepp, K.E., Melenovsky, V. Sodium
Nitrite Improves Exercise Hemodynamics and Ventricular
Performance in Heart Failure With Preserved
Ejection Fraction. J Am Coll Cardiol, 2015, 66, 1672-1682.
- Pieske, B., Butler, J., Filippatos, G., Lam, C.S.P., Maggioni
A.P., Ponikowski P., et al. Rationale and design
of the SOluble guanylate Cyclase stimulatoR in heArT
failurE Studies (SOCRATES). Eur J Heart Fail, 2014, 16,
1026-1038.
- Lee, D.I., Zhu, G., Sasaki, T., Cho, G.-S., Hamdani, N.,
Holewinski, R., et al. Phosphodiesterase 9A controls
nitric-oxide-independent cGMP and hypertrophic
heart disease. Nature, 2015, 519, 472-476.
Aucun élément du site web ne peut être reproduit, modifié, diffusé, vendu, publié ou utilisé à des fins commerciales sans autorisation écrite préalable de l’éditeur. Il est également interdit de sauvegarder cette information par voie électronique ou de l’utiliser à des fins illégales.