Verslag van de thematische sessie georganiseerd
door de BWGACHD op het BSC 2016
Het landschap van congenitale hartaandoeningen (CHD) is in de laatste twintig
jaar veel veranderd. Steeds meer kinderen bereiken de volwassen leeftijd
(tussen de 56 - 98 %, afhankelijk van de complexiteit),1 de pathologieën zijn
meer uitdagend en nieuwe, minder invasieve ingrepen vereisen een nieuwe
aanpak. Ook is de groep ouder dan 60 jaar aan het toenemen. CHD mag dus
als een `life-cycle disease´ gezien worden.2
In deze sessie georganiseerd voor de BWGACHD werden een aantal topics
specifiek voor deze patiëntengroep behandeld, met name transitie, perioperatief
beleid en eindstadium hartfalen.
Transitie vanuit de kindercardiologie
- mind the gap!
Voordracht door dr. Eva Goossens,
Academisch Centrum voor Verpleeg- en
Vroedkunde, KU Leuven
Een goede continuïteit van zorg tussen
de pediatrische en de volwassen afdeling
is voor de patiënten cruciaal en vraagt
extra aandacht.1, 3
Transitie en transfer van zorg - Het
onderscheid
Transitie slaat op het proces rondom de
overgang van pediatrie naar de volwassen
zorg en neemt meerdere jaren in
beslag (figuur 1). In deze periode worden
jongeren voorbereid om zelf de regie te
nemen over hun leven en (de zorg voor)
hun gezondheid.4 Dit proces moet vroeg
gestart worden, met begeleiding vanuit de kindercardiologie en loopt door tot op
de volwassen afdeling.
Transfer is daarentegen het effectieve
moment waarop de zorg overgedragen
wordt van de pediatrie naar de volwassen
zorg (figuur 1).4
Een goede begeleiding tijdens het transitieproces
is cruciaal om correcte zorg te
kunnen blijven bieden. Als deze begeleiding
onvoldoende is, bestaat de kans dat
de patiënten met een CHD niet de juiste
en noodzakelijke zorg krijgen wanneer zij
volwassen zijn.
Care gaps
Een care gap is ofwel een stopzetting van
het zorgproces ofwel een overschrijding
van de tijdspanne tussen twee medische
controles.2, 3, 5, 6 Er zijn grote regionale verschillen
in het optreden van care gaps (bv.
Duitsland 76 %, Verenigde Staten 63 %
en België 7 %).7-9 Factoren die geassocieerd
zijn met het ontstaan van care gaps
zijn: lagere complexiteit van de hartaandoening,
geen cardiochirurgische ingreep
in de voorgeschiedenis, een minder intensieve
opvolging, het mannelijk geslacht
en een lagere sociaal-economische status.
Daarnaast spelen de volgende factoren
een belangrijke rol: inadequate kennis
over de noodzaak tot levenslange followup,
de afwezigheid van symptomen, de
angst om slecht nieuws te krijgen en de
perceptie dat de hulpverleners verantwoordelijk
zijn voor de follow-up.
Er zijn ook factoren die het ontstaan van
care gaps kunnen voorkomen. Het zijn
de voorspellers van een succesvolle transfer:
vertrouwen hebben in de volwassenen
zorg, onafhankelijkheid ervaren
tijdens de consultaties, goed preventief
gezondheidsgedrag en het hebben van
andere comorbiditeit(en).10
Door een care gap wordt de kans op een
spoedinterventie verdrievoudigd. Ook is
er een grotere kans op symptomen en
nieuwe hartproblemen bij een (urgente)
consultatie of opname.7, 11 Uit onderzoek
is ondertussen ook gebleken dat adequate
transitieprogramma’s voor de begeleiding
van kinderen en volwassenen met een
congenitale hartaandoening leiden tot
een beter overleving.12
Niet-cardiale chirurgie bij patiënten
met een CHD: wat te doen en niet
te doen
Voordracht door dr. Stefaan Bouchez,
afdeling Anesthesie, UZ Gent
Over het algemeen is de perioperatieve
zorg de laatste jaren veel veranderd. Er
zijn steeds meer ambulante en kortere,
minder invasieve procedures bij complexere
pathologieën. Hieraan moet ook
het anesthesiebeleid bij ACHD-patiënten
zich aanpassen. Achttien % van de
patiënten met een ACHD overlijdt aan
een perioperatieve complicatie.13 Samen
met hartfalen en plotse dood vormt dit
dus een belangrijke oorzaak van mortaliteit. De onderliggende cardiovasculaire
afwijkingen bij ACHD-patiënten zijn
zeer complex en heterogeen. Patiënten
hebben een verhoogde kans op aritmieen,
vasculaire laesies, shunts, valvulaire
afwijkingen en pulmonale hypertensie.
In de perioperatieve evaluatie van de
ACHD-patiënt moet de relatie tussen
de onderliggende pathologie, het soort
chirurgie en de invloed van de anesthesie
geëvalueerd worden. Een vaak voorkomende
fout is te denken dat een minimale
invasieve chirurgie ook een minimale
impact heeft op de hemodynamiek.
De ‘4 step approach’
Als hulpmiddel om de anesthesie bij een
patiënt met ACHD voor te bereiden,
wordt de zogenaamde ‘4 step approach’
gebruikt:
- definitie van de onderliggende pathologie
- predictie van de pathofysiologie
- opstellen van de hemodynamische
doelen
- een back-up plan maken
Het is essentieel om geplande anesthesie
goed voor te bereiden. Hierbij moeten
pre-operatief de nodige cardiale parameters,
zoals de cardiale functie, klepfunctie,
residuele shunts en de (mono)
ventriculaire fysiologie, in kaart gebracht
worden. Kennis van de voorgaande cardiovasculaire
ingrepen is hierbij essentieel.
Daarnaast is het belangrijk om
de inspanningscapaciteit, alsook het
functioneren van geïmplanteerde devices
(pacemakers en defibrillatoren) te evalueren.
Een goede voorbereiding zal toelaten
om te anticiperen op problemen tijdens
de chirurgie (aritmie, hypotensie, cyanose).
Een consultatie pre-anesthesie is
dan ook altijd aangewezen. Uiteindelijk
moeten de bevindingen multidisciplinair
besproken worden, waarna een individueel
plan uitgestippeld kan worden.
In de praktijk
Om de ‘4 step approach’ te illustreren
toonde dr. Bouchez twee voorbeelden.
Casus 1: Een 30-jarige patiënte met een
ongecorrigeerd ventrikelseptumdefect
(VSD) en pulmonale hypertensie (PHT)
presenteerde zich op de spoedopname
met een cerebraal abces. Bij deze patiënte
met PHT is het van belang om een hoge
systemische druk en een lage pulmonaire
druk tijdens de chirurgie te behouden.
Zo wordt een rechts-linksshunt over het
VSD met cyanose en risico op embolisatie
vermeden. Het gebruik van inotropica
voor de anesthesie kan overwogen
worden en er wordt voorkeur gegeven
aan een druk-gecontroleerde ventilatie.
Goede hemodynamische monitoring met
een arteriële lijn en het gebruik van airfilters
moet voorzien worden.
Casus 2: Een 30-jarige patiënt met een
fontancirculatie (met onderliggende tricuspidalisklepatresie)
presenteerde zich
op de spoedopname met een beeld van
appendicitis. Bij patiënten met een fontancirculatie
moet men rekening houden
met de nood aan lage intrapulmonale
druk om een adequate flow naar de
longen te kunnen garanderen. Voorzichtigheid
is daarom geboden bij procedures
die de intrapulmonale druk kunnen
verhogen (bv. PEEP, CO2-stijging).
Daarom kan het nodig zijn om NO
ventilatie en/of milrinon toe te dienen.
Men moet bij een fontancirculatie ook
voorzichtig zijn met procedures waarbij
de intra-abdominale druk stijgt zoals
een laparoscopie. Hierbij wordt de vena
cava inferior gecomprimeerd, waardoor
de veneuze retour vermindert. Indien
nodig kan ervoor gekozen worden om
de preload te beoordelen door een perio-operatieve
TEE.
Post-anesthesie is het uiteraard belangrijk
om de vitale functies te blijven bewaken,
idealiter aan de hand van voorop vastgestelde
waardes. Ook mag in de postanesthesiefase het controleren en herinstellen
van eventuele devices niet vergeten
worden.
Er is tot op heden geen officiële guideline
ter beschikking, specifiek voor anesthesie
bij ACHD-patiënten. Aangezien het gaat
om complexe en specifieke anesthesie
is het aangewezen dat deze altijd uitgevoerd
wordt onder supervisie van, of in
overleg met, een anesthesist met expertise
op het gebied van ACHD.
Behandelen eindstadium hartfalen in
ACHD - wat zijn de opties?
Voordracht door prof. dr. Asif Hasan,
department of cardiac surgery, Newcastle
upon Tyne, United Kingdom
Hartfalen is een belangrijk probleem en
de tweede doodsoorzaak na plotse dood
bij ACHD-patiënten. Prof. Hasan heeft
de behandelingsmogelijkheden van eindstadium
hartfalen geïllustreerd aan de
hand van twee casussen.
De eerste casus betreft een jonge man
met een fontancirculatie (als gevolg van
tricuspidalisklepatresie) die zich op 28-
jarige leeftijd presenteert met eindstadiumhartfalen.
Na een langdurige opname
met verschillende complicaties (o.a.
een CVA) onderging hij een succesvolle
harttransplantatie. De tweede casus ging
over een jonge dame met een transpositie
van de grote vaten waarvoor ze een
atriale switch procedure had ondergaan
in de voorgeschiedenis. Zij ontwikkelde
een postpartum-cardiomyopathie. Als
`bridge to transplant´ werd bij haar een
assist device (Heartware) geïmplanteerd
ter hoogte van het rechter ventrikel. Ook
deze ACHD-patiënte onderging een succesvolle
harttransplantatie.
Harttransplantatie bij geselecteerde
ACHD-patiënten is een te overwegen
behandelingsoptie. Men moet wel rekening
houden met een hoge mortaliteit
in de beginfase (20-30 %).14, 15 Voor
patiënten met een fontancirculatie is
de MELD-Xi-score (Model for End
stage Liver Disease eXcluding INR) een
betrouwbare parameter om het risico
op overlijden tijdens de beginfase in te
schatten.16, 17 Een score van 12 of hoger
wordt als hoog risico beschouwd. Niettemin,
eens deze beginfase voorbij is,
is de outcome op lange termijn voor de
ACHD-groep goed (74 % overleving op
20 jaar) en zelfs beter dan voor andere
groepen.14, 15
Conclusie
De zorg voor een ACHD-patiënt is
complex en vereist gespecialiseerde aandacht.
Helaas zijn er niet altijd guidelines
beschikbaar. Een goede samenwerking
tussen verschillende disciplines met het
aanbieden van gespecialiseerde zorg voor
deze specifieke patiëntenpopulatie is cruciaal
voor hun follow-up en prognose.
Referenties
- Moons, P., Bovijn, L., Budts, W., Belmans, A., and Gewillig,
M. Temporal trends in survival to adulthood
among patients born with congenital heart disease
from 1970 to 1992 in Belgium. Circulation, 2010, 122
(22), 2264-2272.
- Baumgartner, H. Geriatric congenital heart disease: a
new challenge in the care of adults with congenital
heart disease? Eur Heart J, 2014, 36 (11), 683-685.
- Warnes, C. A., Williams, R. G., Bashore, T. M., Child,
J. S., Connolly, H. M., Dearani, J. A. et al. ACC/AHA
2008 Guidelines for the Management of AdultsWith
Congenital Heart Disease: A Report of the American
College of Cardiology/American Heart Association
Task Force on Practice Guidelines (Writing Committee
to Develop Guidelines on the Management of
AdultsWith Congenital Heart Disease): Developed in
Collaboration With the American Society of Echocardiography,
Heart Rhythm Society, International
Society for Adult Congenital Heart Disease, Society
for Cardiovascular Angiography and Interventions,
and Society of Thoracic Surgeons. Circulation, 2008,
118 (23), e714-e833.
- Knauth, A., Verstappen, A., Reiss, J., Webb, G.D. Transition
and Transfer from Pediatric to Adult Care of the
Young Adult with Complex Congenital Heart Disease.
Cardiol Clin, 2006, 24, 619-629.
- Deanfield, J. Management of Grown Up Congenital
Heart Disease. Eur Heart J, 2003, 24 (11), 1035-1084.
- Sable, C., Foster, E., Uzark, K., Bjornsen, K., Canobbio,
M.M., Connolly, H.M. et al. on behalf of the American
Heart Association Congenital Heart Defects Committee
of the Council on Cardiovascular Disease in the
Young, Council on Cardiovascular Nursing, Council
on Clinical Cardiology, and Council on Peripheral Vascular
Disease. Best Practices in Managing Transition to Adulthood for Adolescents With Congenital Heart
Disease: The Transition Process andMedical and Psychosocial
Issues: A Scientific Statement From the
American Heart Association. Circulation, 2011, 123
(13), 1454-1485.
- Goossens, E. Predictors of care gaps in adolescents
with complex chronic condition transitioning
to adulthood. Pediatrics, 2016, doi: 10.1542/
peds.2008-1536.
- Yeung, E., Kay, J., Roosevelt, G.E., Brandon, M., Yetman,
A.T. Lapse of care as a predictor for morbidity in adults
with congenital heart disease. Int J Cardioli>, 2008, 125
(1), 62-65.
- Wacker, A., Kaemmerer, H., Hollweck, R., Hauser, M.,
Deutsch, M.R., Brodherr-Heberlein, S. et al. Outcome
of operated and unoperated adults with congenital
cardiac disease lost to follow-up for more than five
years. Am J Cardiol, 2015, 95 (6), 76-779.
- Goossens, E., Stephani, I., Hilderson, D., Gewillig, M.,
Budts,W., Van Deyk,W.,Moons, P. Transfer of Adolescents
With Congenital Heart Disease From Pediatric
Cardiology to Adult Health Care. J Am Coll Cardiol,
2011, 57 (23), 2368–2374.
- Iversen, K., Vejlstrup, N., Sondergaard, L., Nielsen, O.
Screening of adults with congenital cardiac disease
lost for follow-up. Cardiol Young, 2015, 17 (6), 601-808.
- Mylotte, D., Pilote, L., Ionescu-Ittu, R., Abrahamowicz,
M., Khairy, P., Therrien, J. et al. Specialized Adult Congenital
Heart Disease Care: The Impact of Policy on
Mortality. Circulation, 2014, 129 (18), 1804-1812.
- Oechslin, E. N., Harrison, D. A., Connelly, M. S., Webb,
G. D., Siu, S.C. Mode of death in adultswith congenital
heart disease. Am J Cardiol, 2000, 86 (10), 1111-1116.
- Irving, C., Parry, G., O’Sullivan, J., Dark, J.H., Kirk, R.,
Crossland, D.S. et al. Cardiac transplantation in adults
with congenital heart disease. Heart, 2010, 96 (15),
1217-1222.
- Lund, L.H., Edwards, L.B., Kucheryavaya, A.Y., Benden,
C., Christie, J.D., Dipchand, A.I., et al. The Registry of
the International Society for Heart and Lung Transplantation:
Thirty-first Official Adult Heart Transplant
Report—2014; Focus Theme: Retransplantation. J
Heart Lung Transplant, 2014, 33 (10), 996-1008.
- Assenza, G.E., Graham, D.A., Landzberg,M.J., Valente,
A.M., Singh, M.N., Bashir, A. et al. MELD-XI score and
cardiac mortality or transplantation in patients after
Fontan surgery. Heart, 2013, 99 (7), 491-496.
- Grimm, J.C., Magruder, J., Valero, V., Kilic, A., Whitman,
G.J., Tedford, R.J. et al. MELD-XI Score Predicts
Early and Late Mortality in Patients Following Heart
Transplantation. J Heart Lung Transplant, 2015, 34 (4),
S62.
Aucun élément du site web ne peut être reproduit, modifié, diffusé, vendu, publié ou utilisé à des fins commerciales sans autorisation écrite préalable de l’éditeur. Il est également interdit de sauvegarder cette information par voie électronique ou de l’utiliser à des fins illégales.