Op donderdagnamiddag vond in de Silver Hall het door Sint-Jude
georganiseerde satellietsymposium rond nieuwe behandelingsmodaliteiten
in hartfalen plaats. In deze topic kwamen enkele huidige hiaten in de
behandeling van chronisch en acuut hartfalen aan bod. De mogelijke rol
van nieuwe device-based innovaties ter reductie van dit probleem, zoals
ambulante hemodynamische monitoring, multipoint linkerventrikelpacing
en prothetische hartkleppen, werden besproken.
1 Heart Failure care: present and
future
Prof. Wilfried Mullens (ZOL Genk)
vatte deze sessie aan door enkele hiaten
in een falend gezondheidssysteem
te identificeren. Naast de toenemende
restricties opgelegd vanuit politieke
hoek, werd vooral de lage penetratie
van klasse I-hartfalentherapieën
als belangrijk werkpunt geïdentificeerd.
Data van de Amerikaanse prospectieve
IMPROVE-HF-studie tonen dat van
de 15 381 onderzochte patiënten met
hartfalen en verminderde ejectiefractie
(HFrEF) slechts 79 % een ACE-inhibitor
of sartaan neemt, waarvan slechts 30 %
in optimale dosis. Bètablokkade werd
ingenomen door 86 % van de patiënten,
maar slechts 20%in optimale dosis. Wat
betreft cardialeresynchronisatietherapie
(CRT) zijn de cijfers ook suboptimaal.1
Tot 10 % van alle hartfalenpatiënten
heeft een klasse I-indicatie voor CRT,
maar slechts 35 % ontvangt deze therapie
ook daadwerkelijk.2
Welke mogelijke factoren spelen een rol
bij deze lage penetratie van CRT en
welk antwoord hebben we hierop? Ten
eerste, bij 30 % van de patiënten in
IMPROVE-HF is er geen registratie van
de NYHA-klasse of een 12-lead-ecg.
Toch zijn dit pivotale determinanten
voor het identificeren van de HFrEFpatiënt
met CRT-indicatie. Een ecgbevinding
van elektrische dissynchronie
is frequent in gevorderd hartfalen (30%)
en identificeert een subgroep at risk
voor mortaliteit (tot 13 % per jaar). Als
tweede wordt de negatieve connotatie
van non-response in de CRT-literatuur
geïdentificeerd als een barrière. Ondanks
dat CRT zich in een pleiotropie van
prospectief gerandomiseerde studies
heeft gevestigd als zijnde een effectieve
hartfalentherapie in het reduceren van
mortaliteit en hartfalenhospitalisaties, is
het de enige hartfalentherapie waar we
respons meten. Respons op een ACEinhibitor
of bètablokker wordt nooit
gemeten. Bovendien is er in de literatuur
geen eenduidige definitie van respons
op CRT. NYHA-klasse, QRS-duur of
morfologie, echografische veranderingen
en hospitalisaties zijn allemaal mogelijke
parameters voor het meten van respons.
Zo is afwezigheid van symptomatische
verbetering geen synoniem voor non-response. Respons op CRT is verschillend
voor verschillende patiënten en kan
fluctueren in de tijd. Een ‘one size fits
all’-antwoord is er niet, maar we besluiten
uit deze sessie dat het aanbieden van
CRT aan de patiënt met recht op CRT
en het multidisciplinair optimaliseren
van de CRT pre-, per- en postimplantatie
belangrijke barrières voor CRT kunnen
overwinnen. Tabel 1 geeft een overzicht
van de in deze sessie aangeboden aandachtspunten
voor CRT-optimalisatie
pre-, per- en postimplantatie.3
2 State-of-the-art in CRT:
Multipoint pacing
Prof. Christophe Leclercq (CHU Rennes)
schetste de mogelijke rol van multipoint
pacing voor het optimaliseren
van CRT-respons. De logica voor het
gebruik van een multipoint pacing-configuratie
stroomt voort uit de hypothese
dat regio’s van litteken en differentiële
activatiepatronen in het linkerventrikel
(LV) een bron kunnen zijn voor minder
goede resynchronisatie. Zo tonen noncontact
mappingstudies bij patiënten
met een klassieke linkerbundeltakblok
belangrijke heterogeniciteit in het activatiepatroon
die niet gedetecteerd kan worden
op oppervlakte-ecg. Klassiek worden
twee activatiepatronen geïdentificeerd,
namelijk type 1 (homogeen verloop)
en een type 2 (line of block). Patiënten
met een type 2-activatiepatroon vertonen
echocardiografisch meer intraventriculaire
mechanische dissynchronie en betere
respons op CRT.4 Patiënten met een
type 1-activatiepatroon hebben minder
vaak goede respons op CRT. Het gebruik
van additionele pacingvectoren in deze
laatste populatie wordt gesuggereerd als
een mogelijke oplossing.
Wat betreft de techniek tot het aanbieden
van een additionele pacingvector moet
er een semantisch onderscheid gemaakt
worden tussen multisite (MSP) en multipoint
pacing (MPP). Bij MSP wordt
er een additionele LV lead in een andere
coronaire sinustak geplaatst. Bij MPP
wordt er door middel van een (meestal)
quadripolaire lead een additionele vector
gegenereerd uit een van de andere polen.
Studies die de acute hemodynamische
respons (LV dP/dtmax) meten, tonen
gemengde resultaten aan bij het gebruik
van MSP en MPP.5 Patiënten met reeds
een goede acute hemodynamische respons
op klassieke bipolaire pacing hebben
weinig meerwaarde van MSP of
MPP. Echter, patiënten met een matige
acute hemodynamische response hebben
wel baat bij MSP en MPP. Prof. Leclercq
haalt aan dat deze patiënten vaak
een type 1-activatiepatroon hebben.6
Deze bevindingen vormen de basis voor
de lopende MORE-CRT MPP-studie.
Deze studie includeert patiënten met
een quadripolaire lead die op 6 maand
follow-up onvoldoende respons (afname
LVESV < 15 %) vertonen. Zo er een
additionele pacingvector beschikbaar is
op de LV-lead (goede pacing-drempel
en afwezigheid van phrenicusstimulatie)
worden patiënten gerandomiseerd naar
MPP aan of uit. Deze studie, waarvan
prof. Leclercq de hoofdonderzoeker is,
test de lange termijnuitkomst van MPP
en is momenteel nog lopende.
3 Remote hemodynamic monitoring
Prof. Birgit Assmus (Universitair Ziekenhuis
Frankfurt) geeft een mooi overzicht
van het potentieel van ambulante
hemodynamische monitoring door middel
van het cardiomemssysteem. Acuut
gedecompenseerd hartfalen (ADHF)
vormt een belangrijk medisch probleem
gekenmerkt door frequente rehospitalisatie
(36,2 % na 3 maand ) en hoge
mortaliteit (8,7 % na 3 maand).7 Een
groot deel van de kosten geassocieerd aan
hartfalen clustert zich in ADHF. Hospitalisatie
voor ADHF is in 90 % van de
gevallen vanwege congestie en slechts
zelden vanwege hypoperfusie. Gezien
de belangrijke rol van congestie als drijver
van rehospitalisatie en mortaliteit is
er een stijgende interesse om dreigende
congestie ambulant te monitoren. Strikt
genomen betekent congestie de aanwezigheid
van klachten en symptomen ten
gevolge van toegenomen vullingdrukken.
De COMPASS-HF-trial en CHAMPION-trial tonen aan dat het meten van
ambulante vullingsdrukken (pulmonaal
of rechts ventriculair) veilig en efficiënt
kunnen gebeuren.8, 9 Een boeiende bevinding
van deze beide studies is dat de vullingsdrukken
al 30 dagen voor een presentatie
van ADHF beginnen te stijgen
zodat het pre-emptief behandelen van
gestegen vullingsdrukken een manier
kan zijn om hospitalisatie te vermijden.
Het resultaat van de CHAMPION-trial
is in dat opzicht ook overtuigend.8 Het
ambulant meten van de pulmonaaldrukken
via het cardiomemssysteem zorgde in
de CHAMPION-trial voor een reductie
van 37 % in het gecombineerde eindpunt
hartfalenhospitalisatie en mortaliteit. Dit
zowel bij patiënten met een verminderde,
als met een bewaarde ejectiefractie met
een berekende numbers needed to treat
van 8 versus 2 respectievelijk. Ondanks
het overtuigende potentieel van de cardiomems
in het terugdringen van hartfalenhospitalisaties
en het bieden van
nieuwe pathofysiologische inzichten zijn
er toch enkele barrières die het wijdverspreid
gebruik in de weg staan. De hoge
kostprijs van dit device, de nood aan
een performant team dat de therapie
dynamisch aanpast en de onduidelijkheid
welke therapie optimaal is om de
vullingsdrukken te doen dalen (diuretica
versus vasodilatoren) zijn kwesties die
opgelost moeten worden.
4 Prosthetic heart valves and heart
failure
Ten slotte was het woord aan prof.
Bernard Cosyns (UZ Brussel). In een
interessante klinische sessie stelde hij aan
de hand van casussen een aanpak voor
van hartfalen bij patiënten met prothetische
hartkleppen. Via een systematische
aanpak van het probleem werden de
casussen opgelost. Deze aanpak omvatte
het differentiëren tussen de patiënt met
de novo hartfalen en reeds aanwezigheid
van een prothetische klep (en op te delen
als acuut, postoperatief en chronisch) en
de patiënt met hartfalen die nood heeft
aan een prothetische klep.
Referenties
- Heywood, J.T., Fonarow, G.C., Yancy, C.W. et al. Comparison
of medical therapy dosing in outpatients cared
for in cardiology practices with heart failure and
reduced ejection fraction with and without device
therapy: report from IMPROVE HF. Circ Heart Fail,
2010, 3 (5), 596-605.
- Curtis, A.B., Yancy, C.W., Albert, N.M. et al. Cardiac resynchronization
therapy utilization for heart failure:
findings from IMPROVE HF. Am Heart J, 2009, 158 (6),
956-964.
- Mullens,W., Grimm, R.A., Verga, T. et al. Insights from
a cardiac resynchronization optimization clinic as
part of a heart failure disease management program.
J Am Coll Cardiol, 2009, 53 (9), 765-773.
- Fung, J.W., Chan, J.Y., Yip, G.W. et al. Effect of left
ventricular endocardial activation pattern on echocardiographic
and clinical response to cardiac resynchronization
therapy. Heart, 2007, 93 (4), 432-437.
- Martens, P., Verbrugge, F.H., Mullens, W. Optimizing
CRT- do we needmore leads and methods of delivery.
J Atr Fib, 2015, 7 (6), 39-47.
- Sohal, M., Shetty, A., Niederer, S. et al.Mechanistic insights
into the benefits of multisite pacing in cardiac
resynchronization therapy: The importance of electrical
substrate and rate of left ventricular activation.
Heart Rhythm, 2015, 12 (12), 2449-2457.
- Fonarow, G.C., Abraham, W.T., Albert, N.M. et al. Association
between performancemeasures and clinical
outcomes for patients hospitalizedwith heart failure.
JAMA, 2007, 297 (1), 61-70.
- Abraham, W.T., Stevenson, L.W., Bourge, R.C., Lindenfeld,
J.A., Bauman, J.G., Adamson, P.B. Sustained
efficacy of pulmonary artery pressure to guide adjustment
of chronic heart failure therapy: complete
follow-up results from the CHAMPION randomised
trial. Lancet, 2015, [Epub ahead of print].
- Bourge, R.C., Abraham, W.T., Adamson, P.B. et al. Randomized
controlled trial of an implantable continuous
hemodynamicmonitor in patientswith advanced
heart failure: the COMPASS-HF study. J Am Coll Cardiol,
2008, 51 (11), 1073-1079.
Aucun élément du site web ne peut être reproduit, modifié, diffusé, vendu, publié ou utilisé à des fins commerciales sans autorisation écrite préalable de l’éditeur. Il est également interdit de sauvegarder cette information par voie électronique ou de l’utiliser à des fins illégales.