1 Inleiding
Voorkamerfibrillatie (VKF) komt voor
bij 2 % van de Europese populatie en de
prevalentie neemt nog toe door concomitante
pathologieën en een verouderende
populatie.1 Een belangrijke, zo niet dé
belangrijkste, verwikkeling van voorkamerfibrillatie
is beroerte.2 Gelukkig kan
orale anticoagulatie de meeste gevallen
van aan VKF gerelateerde beroerte voorkomen.
Alhoewel de evidentie voor het gebruik
van anticoagulatie voor preventie van
beroerte in VKF geleverd werd door het
gebruik van vitamine K-antagonisten
(VKA’s) zijn er momenteel 4 non-VKA
orale anticoagulantia (NOAC’s) die in
goed uitgevoerde klinische studies bewezen
hebben minstens even efficiënt en
veiliger te zijn dan VKA’s voor preventie
van beroerte bij patiënten met nietvalvulaire
VKF.3-6 De resultaten van de
meta-analyse van deze grootschalige studies
staan vermeld in tabel 1.7 Afgaande
op deze duidelijke onderzoeksresultaten
zijn de richtlijnen, zowel van Europese
als van Amerikaanse makelij, duidelijk in
die zin dat de NOAC’s verkozen worden
boven VKA’s, behalve bij patiënten met
ernstige nierinsufficiëntie.8, 9
Nog bijkomende data na positieve
resultaten in fase 3-studies?
Fase 3-studies zijn uiteraard de gouden
standaard voor de evaluatie van de efficiëntie
en de veiligheid van een bepaalde
therapie in vergelijking met de gangbare
behandelmethode. Ze zijn de leidraad
van onze klinische praktijk en helpen
de autoriteiten om de juiste terugbetalingsmodaliteiten
voor de voorgestelde
methode te bepalen.
Niettemin weten we als clinici dat deze
gerandomiseerde gecontroleerde studies
duidelijke protocols hanteren en strikte
in- en exclusiecriteria gebruiken die niet
altijd een reflectie zijn van de dagelijkse
praktijk. Het is niet altijd evident
om de resultaten van fase 3-studies te
enten op onze eigen patiëntenpopulatie.
Deze laatste is vaak ouder, vertoont meer
comorbiditeit en er mag verwacht worden
dat compliance meer een probleem
vormt in de dagelijkse praktijk dan in
de ietwat artificiële omgeving van een
gerandomiseerde gecontroleerde studie.
Postmarketingstudies op niet-geselecteerde
patiëntenpopulaties kunnen een
deel van deze problemen ondervangen.
Belangrijke gegevens kunnen naar voren
komen omtrent veiligheid en, indien prospectief en gecontroleerd, kunnen
conclusies getrokken worden over efficiëntie
in de dagelijkse praktijk. Zulke
studies zijn single-arm en open label
wat uiteraard een zekere bias kan introduceren.
Men kan ook opmerken dat
patiënten die akkoord gaan om aan dit
type van studie te participeren ook niet
100 % onze patiëntenpopulatie representeren.
We denken bv. aan de selectiebias
omtrent intacte cognitieve functie, op
voorhand gemaakt door de onderzoeker.
Desalniettemin kunnen dergelijke studies
belangrijke additieve informatie
aanreiken die de clinicus kan helpen bij
de bepaling van het te volgen beleid.
Opzet en resultaten van de XANTUS-studie
De XANTUS-studie deed een prospectieve,
observationele, niet-interventionele
opvolging van 6 784 volwassen patiënten
met niet-valvulaire VKF die een
behandeling met rivaroxaban kregen.10
De beslissing tot deze therapie en de
gehanteerde dosis werden volledig aan
de behandelende arts overgelaten. De
patiënten werden gerekruteerd in 311
centra in Europa, Israël en Canada.
Alle majeure outcomes, zoals bloeding,
symptomatische trombo-embolische
fenomenen (beroerte, systemische embolie,
TIA en myocardinfarct) en mortaliteit,
werden geregistreerd en ondergingen
centrale adjucatie.
Patiënten waren gemiddeld 71,5 jaar
(range 19 tot 99). In 59 % van de gevallen
ging het om mannen en 9,4 % van de
patiënten had gedocumenteerde ernstige
of matige nierinsufficiëntie (creatinineklaring
minder dan 50 ml/min).
40,6 % had persisterende of permanente
atriale fibrillatie en 54 % had voorafgaandelijk
nog geen VKA gekregen.
De mediane CHADS2- en CHADS2-VASc-scores waren respectievelijk 2,0 en
3,4. De mediane behandelduur was 329
dagen.
De resultaten toonden een totale mortaliteit
van 1,7 %, trombo-embolische
fenomenen in 1,6 % van de gevallen,
waarvan 0,8 % beroerte, 0,4 % TIA en
0,4 % myocardinfarct.
Majeure bloedingen deden zich voor
in 1,9 % van de gevallen. Intracraniële
bloedingen werden opgemerkt in 0,4 %
en fatale bloedingen in 0,2 % van de
patiënten. Er was een relatie met de
CHADS2-VASc-score, zowel qua risico
op trombo-embolische fenomenen, als
qua mortaliteit en in zekere zin ook
bloeding (figuur 1). Een andere vaststelling
was dat zowel majeure bloedingen,
totale mortaliteit als trombo-embolische
problemen in een hogere incidentie zich
voordeden bij deze patiënten behandeld
met een dosis van 15 mg versus deze met
20 mg per dag (figuur 2).
Overwegingen voor de practicus
De belangrijkste vaststelling is dat in een
brede patiëntenpopulatie met niet-valvulaire
VKF, bij wie de clinicus besliste
tot het starten van een NOAC, in casu
rivaroxaban, 96,1 % van de patiënten 1
jaar overleeft zonder enig probleem van
majeure bloeding, beroerte of andere
systemische embolie. Dit sterkt ons in
de overtuiging dat we een efficiënte en
veilige therapie geven aan deze patiëntenpopulatie.
Bovendien was de adherentie met de
therapie in XANTUS 80 % op 1 jaar,
wat een gunstig gegeven is in vergelijking
met andere recente data met VKA’s die
een frequentie van stopzetting van therapie
toonden van 32 en 38 % op 6 en 12
maanden respectievelijk.11, 12 Bovendien
gaf meer dan 75 % van de patiënten aan
zeer tevreden of minstens tevreden te zijn
met de voorgestelde behandeling.
De studie toonde ook de praktische
toepasbaarheid van de risicoscores zoals
CHADS2 en CHADS2-VASc met de
voor de clinicus bekende vaststelling dat
ook het bloedingsrisico met CHADS2-VASc-score toeneemt. Het is dan ook zo
dat deze patiënten die het hoogste risico
hebben op trombo-embolische fenomenen,
meestal ook, zoals geëxpliciteerd
via de HAS-BLED-score, het hoogste
hemorragisch risico vertonen wat de
noodzaak van een gewogen beslissing
voor elk individuele patiënt door een
kundige arts op de voorgrond stelt.
Opvallend was ook dat de klinische
problemen, zowel qua bloeding als qua
mortaliteit en trombo-embolische problematiek,
zich meer voordeden in deze
patiënten behandeld met 15 mg dan
in deze met de 20 mg dagelijkse dosis.
Dit laat aan de ene kant vermoeden dat
beslissingen qua dosering door de clinici
niet louter op basis van de nierfunctie
genomen worden. Aan de andere kant
wijst het op het belang van de zo goed
mogelijke applicatie van de gegevens
van de fase 3-studies bij de individuele
patiënt en optie tot correcte dosering.
Vrij merkwaardig was ook de behandeling
van de majeure bloedingen die in
1,9 % van de patiënten voorkwamen.
Slechts 0,8 % van de patiënten kreeg een
transfusie van 2 of meer units packed
RBC’s of bloed. Het gebruik van nietspecifieke
antagonisten zoals protrombinecomplexconcentraat
(PCC) was laag
en beperkt tot minder dan 5 % van de
patiënten met bloedingen. Dit moet het
klinische nuteffect van de thans voorliggende
antidota in een juist perspectief
plaatsen. Er zijn momenteel minstens 3
neutraliserende middelen in ontwikkeling:
idarucizumab, een specifieke dabigatranantagonist
met gunstige resultaten,
ook bij bloedende patiënten in de
REVERSE AD-studie,13 andexanetalfa
dat factor 10 A-remmers zoals rivaroxaban
neutraliseert en ciraparantag, het
universele antidotum dat alle NOAC’s
zonder uitzondering zou neutraliseren.
Rekening houdend met de relatief geringe
incidentie van majeure bloedingen,
vooral de lage incidentie van fatale bloedingen
(0,2 % in deze studie), moet het
klinisch belang van deze neutraliserende
agentia niet overschat worden. Deze
geneesmiddelen zullen waarschijnlijk
meer belangrijk zijn om de terughoudendheid
bij het voorstellen van NOAC’s
te doen dalen en om artsen finaal de
laatste richtlijnen voor de preventie van
trombo-embolische accidenten beter te
laten naleven.
Referenties
- Haim, M., Hoshen, M., Reges, O. et al. Prospective national
study of the prevalence, incidence, management
and outcome of a large contemporary cohort of
patients with incident non-valvular atrial fibrillation.
J Am Heart Assoc, 2015, 4, e001486.
- Sanna, T., Diener, H.C., Passman, R.S. et al. CRYSTAL
AF Investigators. Cryptogenic stroke and underlying
atrial fibrillation. N Engl J Med, 2014, 370, 2478-2486.
- Connolly, S.J., Ezekowitz, M.D., Yusuf, S. et al. RE-LY
Steering Committee and Investigators. Dabigatran
versus warfarin in patients with atrial fibrillation. N
Engl J Med, 2009, 361, 1139-1151.
- Granger, C.B., Alexander, J.H., McMurray, J.J. et al.
ARISTOTLE Committees and Investigators. Apixaban
versus warfarin in patients with atrial fibrillation. N
Engl J Med, 2011, 365, 981-992.
- Patel, M.R., Mahaffey, K.W., Garg, J., et al. ROCKET AF
Investigators. Rivaroxaban versus warfarin in nonvalvular
atrial fibrillation. N Engl J Med, 2011, 365,
883-891.
- Giugliano, R.P., Ruff, C.T., Braunwald, E. et al. ENGAGE
AF-TIMI 48 Investigators. Edoxaban versus warfarin
in patients with atrial fibrillation. N Engl J Med, 2013,
369, 2093-2104.
- Ruff, C.T., Giugliano, R.P., Braunwald, E. et al. Comparison
of the efficacy and safety of new oral anticoagulants
with warfarin in patients with atrial fibrillation:
a meta-analysis of randomised trials. Lancet,
2014, 383 (9921), 955-962.
- Camm, A.J., Lip, G.Y.H., De Caterina, R. et al. 2012 focused
update of the ESC Guidelines for the management
of atrial fibrillation: an update of the 2010 ESC
Guidelines for the management of atrial fibrillation.
Developed with the special contribution of the European
Heart Rhythm Association. Eur Heart J, 2012, 33,
2719-2747.
- January, C.T., Wann, L.S., Alpert, J.S. et al. 2014 AHA/
ACC/HRS Guideline for the management of patients
with atrial fibrillation: a report of the American College
of Cardiology/American Heart Association Task
Force on Practice Guidelines and the Heart Rhythm
Society. J Am Coll Cardiol, 2014, 64:e1-e76.
- Camm, A.J., Amarenco, P., Haas, S. et al. XANTUS: a
real-world, prospective, observational study of patients
treated with rivaroxaban for stroke prevention
in atrial fibrillation. Eur Heart J, 2015, Sep 1. pii:
ehv466.
- Laliberté, F., Cloutier, M., Nelson, W.W. et al. Realworld
comparative effectiveness and safety of rivaroxaban
and warfarin in nonvalvular atrial fibrillation
patients. Curr Med Res Opin, 2014, 30, 1317-1325.
- Nelson, W.W., Song, X., Coleman, C.I. et al. Medication
persistence and discontinuation of rivaroxaban versus
warfarin among patients with non-valvular atrial fibrillation.
Curr Med Res Opin, 2014, 30, 2461-2469.
- Pollack, C.V. Jr., Reilly, P.A., Eikelboom, J. et al. Idarucizumab
for Dabigatran Reversal. N Engl J Med, 2015,
373, 511-520.
Niets van de website mag gebruikt worden voor reproductie, aanpassing, verspreiding, verkoop, publicatie of commerciële doeleinden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Het is ook verboden om deze informatie elektronisch op te slaan of te gebruiken voor onwettige doeleinden.