Onder deze ‘hoopvolle’ titel werd een boeiend symposium over hartfalen
georganiseerd tijdens de laatste vergadering van de Belgische Vereniging
voor Cardiologie. Wetenschappelijke sponsoring werd geboden door Servier.
Het accent werd duidelijk gelegd op het feit dat kort na ontslag uit het
ziekenhuis, een groot aantal patiënten weer opgenomen moet worden met
alle gevolgen van dien.
In de eerste voordracht legde professor
P. Troisfontaines (Luik) meteen de
vinger op de wonde. De prevalentie
van hartfalen is angstwekkend hoog: in
België alleen telde men 225 000 behandelde
patiënten tijdens 2013 en meer
dan 15 000 nieuwe patiënten per jaar;
de totale kost hiervan loopt op tot circa
150 miljoen euro per jaar! Bij dergelijke
cijfers kan men niet ‘cool’ blijven!
De spreker vermeldde vervolgens een bijzonder
aspect dat uit de EVEREST-trial
bleek: minstens een kwart van de patiënten
moest weer in het ziekenhuis opgenomen
worden, met als bijzondere waarneming
dat de heropname kort na ontslag
nodig was. Vaak werd hierbij vastgesteld
dat de schade aan de hartspier toegenomen
was. Het is dus duidelijk dat er aan
de therapie bij ontslag heel veel aandacht
gegeven moet worden. Wellicht kan men
zich ook afvragen in hoeverre patiënten
bij ontslag daar al klaar voor zijn.
Toegegeven: het behandelingsschema is
vaak complex en de ervaring heeft geleerd
dat dat leidt tot een gebrek aan therapietrouw.
Die les heeft ieder ook geleerd bij
de opvolging van hypertensiepatiënten
met onvoldoende controle van de verhoogde
bloeddruk als gevolg. Men moet
dus de behandeling grondig bekijken
met bijzondere aandacht aan essentialia
zoals de hartfrequentie die vaak te hoog
blijft en onderbehandeld. Ook moet de
grootste aandacht gegeven worden aan
praktische aspecten zoals waar gaat de
patiënt naartoe? Is er voldoende opvang?
Is er nood aan de technische toestellen
(devices) bij de verdere opvang? Zijn er
goede afspraken met de sociale dienst en
de omgeving gemaakt?
Het wordt aangeraden een eerste controle
van de toestand door de huisarts te laten
uitvoeren binnen de zeven dagen na
ontslag. Een checklist, zoals opgesteld
door de Europese Vereniging voor Cardiologie,
is op dat ogenblik heel nuttig.
Therapeutisch gezien moet men goed
onderzoeken of er voldoende decongestie
is en gehandhaafd blijft en zeker ook of
de hartfrequentie voldoende gedaald is.
Voor dat laatste kunnen middelen zoals
ivabradine (SHIFT-studie) nuttige diensten
bewijzen. Het blijkt overigens heel
belangrijk te zijn voor de verdere prognose
dat een daling van de hartfrequentie
vroeg tot stand komt.
Zulke aspecten werden door de volgende
spreker tijdens dit symposium verder
uitgediept.
Professor C. Maack (Homburg) gaf aandacht
aan de verschillende farmaca die in
dit ziekteproces aangewend kunnen worden.
Hij legde de aandacht opnieuw op
het begrip dat hartfalen door een cirkel
van aan elkaar hangende mechanismen
tot stand komt en dat dit aspect ook een
grote rol bij de gehele aanpak speelt.
De spreker vestigde vooreerst de aandacht
op het feit dat de cardiale functie
tijdens en na de hospitalisatie een
belangrijke globale parameter is bij
het inschatten van de toekomst van de
patiënt. Daarom moet alles in het werk
gesteld worden om de cardiale functie
te optimaliseren tijdens de hospitalisatie
en ervoor te zorgen dat de geschikte
medicatie hiervoor verder gebruikt en zo
nodig aangepast wordt na ontslag. Een
aantal farmaca kunnen hierbij voorgeschreven
worden.
Ivabradine kan de cardiale functie verbeteren
door haar bradycardiserend
effect. Men kan zich verwachten aan
een daling van 10 tot 20 slagen per
minuut bij de patiënt in sinusaal ritme.
Uit de fysiologie weten we dat bij vertragen
van de hartfrequentie er een
verlenging van de diastole en een betere
vulling tot stand komt waardoor het
slagvolume zal stijgen. Dat is ook wat
gezien wordt in de talrijke studies met
ivabradine; de bloeddruk blijft hierbij
grotendeels constant. Dat dit niet
zomaar een theoretisch begrip is, blijkt
uit de SHIFT-studies; deze toonden
aan dat ivabradine een gunstig en significant
effect uitoefent op mortaliteit
en de nood tot hospitalisatie. De bètablokkers
vertragen ook de hartfrequentie,
maar hebben een negatief inotroop
effect, wat niet wenselijk is bij hartfalen;
hemodynamisch wordt dit in zekere
mate gecompenseerd bij bètablokkers
die eveneens een vasodilaterend effect
hebben zoals carvedilol.
De gunstige invloed van ivabradine op
de cardiale functie werd ook duidelijk
bevonden aan de hand van echografische
studies met nauwkeurige meting
van de einddiastolische parameters. Een
associatie van ivabradine en carvedilol
om de cardiale functie te verbeteren lijkt
zeker aantrekkelijk, zoals blijkt uit de
CARVIVA-studie. Als logisch resultaat
van deze gunstige hemodynamische
wijzigingen vindt men dan ook een toegenomen
inspanningscapaciteit.
Het interessante van dit alles is niet
alleen het onmiddellijke effect maar ook
de herstructurering van de cardiale caviteiten
en wand op de lange termijn. De
geassocieerde vasodilatatie in dergelijke
combinatietherapie zorgt ook voor een
daling van de perifere weerstand waardoor
een betere doorbloeding van de
weefsels en in het bijzonder de spieren tot
stand komt.
Vanzelfsprekend mag men de plaats van
andere farmaca zoals de ACE-inhibitoren
in dit schema niet vergeten (zie de Guidelines
van de Europese Vereniging voor
Cardiologie).
Zoals eerder gezegd, illustreert dit alles
alweer hoezeer de verschillende hemodynamische
parameters aan elkaar hangen
en uiteindelijk, bij gunstig effect, daardoor
ook kunnen leiden tot een betere
kwaliteit van het leven. Dit kan bereikt
worden, niet alleen door aangepaste
medicatie zoals zopas beschreven, maar
gaat vanzelfsprekend hand in hand met
een gerichte cardiale revalidatie.
De derde en laatste spreker, professor
Ph. Meurin (Villeneuve-Saint-Denis)
beschreef de gunstige effecten die van
hartrevalidatie verwacht kunnen worden.
Hij maakte ook duidelijk hoezeer de
hartrevalidatie en aangepaste medicijnen elkaar gunstig kunnen aanvullen. Het
belang van revalidatie in deze context
werd onlangs nog door de Europese Vereniging
voor Cardiologie beschreven als
een klasse 1-indicatie. Vooral de gunstige
beïnvloeding op lange termijn (‘outcome’)
en op een aantal hemodynamische
en sociaal/humane factoren komen hierbij
op de voorgrond. Revalidatie is niet
zomaar wat lichte oefeningen doen maar
is veeleer ook gericht naar specifieke
factoren. Het leert de patiënten terug in
beweging te komen, wat ze anders op
zichzelf niet zouden aandurven of wensen.
Weerstandstraining kan naast cardiale
verbetering, ook de longfunctie en
zuurstofopname gunstig veranderen, wat
door een lange reeks studies bevestigd
werd. Dit alles leidt tot betere fysieke
mogelijkheden bij hartfalen, wat door de
patiënten aangevoeld wordt als een echte
vooruitgang in de levenskwaliteit.
De spreker bleef verder beklemtonen
hoezeer revalidatie aansluit bij de farmacologische
therapie waarbij ivabradine en
carvedilol een geschikte aanpassing van
slagvolume en perifere doorbloeding verzorgen.
Het werkelijke streefdoel bestaat
erin een nieuwe hospitalisatie te vermijden
waarbij, zoals eerder vermeld, heel
vaak een achteruitgang van de cardiale
functie vastgesteld wordt; zulks leidt tot
een slechtere prognose op korte termijn.
Men vergeet hierbij ook niet hoezeer elke
hospitalisatie ipso facto hoge kosten voor
de maatschappij meebrengt die kunnen
vermeden of beperkt worden door een
betere medische therapie, samen met
revalidatie. De voorwaarde is echter wel
dat deze therapie adequaat volgehouden
en gevolgd wordt! De spreker vermeldt
de betreurenswaardige vaststelling dat
revalidatie in grote mate ondergebruikt
wordt of te vroeg gestopt wordt. Ook
bij hartfalen is de therapietrouw, wat
deze ook moge zijn, nog altijd een heel
groot probleem. Hopelijk worden op
alle niveaus, nationaal en Europees, alle
middelen aangewend om het gebruik van
deze krachtige therapeutische schakels te
faciliteren en in stand te houden.
Besluit
Dit interessant symposium, ingericht tijdens
de jaarlijkse vergadering van de
Belgische Vereniging voor Cardiologie,
was gericht naar de middelen die ons
ter beschikking gesteld worden om bij
patiënten met hartfalen de prognose te
verbeteren en hospitalisatie te beperken.
Hierbij werd aangetoond dat farmaca
zoals ivabradine de cardiale functie gunstig
beïnvloeden en dat de associatie met
carvedilol de inspanningscapaciteit kan
verbeteren op voorwaarde dat de farmaca
goed aangepast worden en dat de therapietrouw
zorgvuldig opgevolgd wordt.
Een grote hulp kan komen van een aangepaste
hartrevalidatie. Het geheel van
deze middelen brengt een ommekeer in
de kwaliteit van het leven bij deze patiënten
teweeg met hoop op een betere en
zeker ook meer genietbare toekomst.
Niets van de website mag gebruikt worden voor reproductie, aanpassing, verspreiding, verkoop, publicatie of commerciële doeleinden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Het is ook verboden om deze informatie elektronisch op te slaan of te gebruiken voor onwettige doeleinden.