NL | FR
The cardiogenic shock aftermath
  • Tim Balthazar 

  • Jaargang 38, nummer 4, juni 2026

Congresverslag - Acute Cardiac Care 2026

Cardiogene shock is de dodelijkste vorm van acuut hartfalen. Nagenoeg een op de twee patiënten met deze diagnose overlijdt binnen de drie maanden.1 Aangezien deze aandoening een snelle interventie vergt, ligt er een grote focus op de eerste 24 uur na de diagnose en in het bijzonder op het gebruik van mechanische circulatoire ondersteuning. Wat er na die fase volgt bij patiënten van wie de circulatie mechanisch wordt ondersteund, is echter minstens even belangrijk voor de finale uitkomst, zo blijkt uit deze sessie tijdens het congres Acute Cardiac Care 2026. Het is duidelijk dat er nog veel werk aan de winkel is om complicaties te reduceren, de gunstige effecten op het myocard te maximaliseren, te beslissen over de nood aan hartvervangende therapie en de patiënt weer op de been te krijgen of in het slechtste geval te begeleiden in het levenseinde.

The price to pay: complications in temporary mechanical circulatory support

Holger Thiele - Leipzig, Duitsland

Complicaties zijn de achilleshiel van tijdelijke mechanische circulatoire ondersteuning (tMCS) en doen in sommige gevallen de potentieel gunstige effecten op de finale uitkomst van de patiënt teniet.2 Holger Thiele schetste een overzicht van de meest voorkomende complicaties, gebaseerd op de data van de recente grote gerandomiseerde trials met tMCS. Veno-arteriële extracorporele membraanoxygenatie (VA-ECMO) is een techniek die de laatste vijftien jaar snel terrein heeft gewonnen in het domein van cardiogene shock. In 2023 werden drie gerandomiseerde studies gepubliceerd, waarvan de ECLS-SHOCK-trial met afstand de grootste was.3 In deze studie kon geen voordeel worden aangetoond van routinematige VA-ECMO-plaatsing ten opzichte van een conservatieve medicamenteuze aanpak (met mogelijkheid tot escalatie naar VA-ECMO) in patiënten met cardiogene shock ten gevolge van een acuut coronair syndroom.3 Matige tot ernstige bloeding was de meest frequente complicatie in de studie, voorkomend in 23,4 % van de patiënten op VA-ECMO en bijna 2,5 maal vaker dan bij patiënten in de conservatieve arm.3 Daarnaast traden er in 11 % van de patiënten in de VA-ECMO-arm ischemische lidmaatcomplicaties op (vaak met amputatie tot gevolg). Ook daarvan was de incidentie significant hoger dan die in de conservatieve arm.3 Ook wanneer de data van de ECLSSHOCK-trial werden samengebracht in een meta-analyse met de data van de kleinere gerandomiseerde studies, werd het beeld van sterk toegenomen bloedingen en lidmaatischemie bevestigd.4

Een alternatief voor VA-ECMO is de micro-axiale flowpomp (mAFP), beter bekend als de Impella. In vergelijking met VA-ECMO kon die techniek in de DanGer Shock-trial wel een significante daling in mortaliteit aantonen.5 In vergelijking met de studies rond VA-ECMO valt op dat de incidentie van lidmaatischemie met 5,6 % lager was bij patiënten in de interventiearm van de DanGer Shock-studie.5 Weliswaar vertegenwoordigt dat nog steeds een significante toename ten opzichte van de controlearm.5 Daar staat tegenover dat de incidentie van matige tot ernstige bloedingen in de interventiearm met zijn 21,8 % vergelijkbaar bleek met die in de ECLS-SHOCK-trial en ook significant hoger dan die in de controlearm.5 Een specifieke bevinding in de DanGer Shock-trial was de significant hogere nood aan acute niervervangende therapie bij patiënten die werden behandeld met een mAFP ten opzichte van de controlegroep, wat vermoedelijk een gevolg is van hemolyse door zogenaamde suctie-events (waarbij de pompflow wordt verstoord door een abnormale positie of te weinig volume in het ventrikel).6 De conclusie van Thiele was dan ook dat er nog veel werk is om enerzijds de incidentie van deze complicaties te reduceren en anderzijds de patiëntengroep te identificeren die daadwerkelijk voordeel heeft bij het gebruik van tMCS.

From temporary mechanical circulatory support to recovery: optimizing management strategies

Tim Balthazar - Brussel

Wanneer patiënten de acute fase van cardiogene shock overleven, zal het verlies van myocard veelal leiden tot hartfalen op langere termijn.1 Het is dan ook essentieel om te blijven zoeken naar technieken die de grootte van de schade kunnen inperken of het herstel van het myocard kunnen bevorderen. In de context van tMCS is er steeds meer aandacht voor het principe van unloading of ontlasten. Volgens de fysiologie bestaat het zuurstofverbruik van de hartspier uit twee componenten, die goed kunnen worden beschreven door druk-volumecurves.

De actieve component (stroke work) kan worden weergegeven door de oppervlakte binnen de druk-volumelus en wordt bijvoorbeeld groter bij het gebruik van inotropie (figuur 1). Een tweede component, de potentiële energie, die voornamelijk uitgaat naar de calciumhomeostase en toeneemt met stijgende vullingsdrukken, wordt door de oppervlakte links van de druk-volumelus weergegeven (figuur 1). Als we teruggaan naar de recente studies rond tMCS, is het opvallend dat er alleen in de DanGer Shock-trial een gunstig effect op de overleving werd waargenomen.5 Laat het nu net zo zijn dat er heel veel experimenteel onderzoek gepubliceerd werd, waarbij de mAFP de grootte van een infarct lijkt te verminderen ten gevolge van het ontlastende werk op de hartspier.7 Het is dan ook potentieel interessant om naar de hemodynamische effecten van deze techniek in de DanGer Shock-trial te kijken.8 Daaruit blijkt dat het totale hartdebiet (dat van de pomp en het eigen hart) in de patiënten behandeld met de mAFP niet significant verschilde van dat van patiënten in de controlearm (waarbij dat 100 % door het eigen hart gegenereerd werd).8

Of het ontlastende effect van de vullingsdrukken8 de drijvende kracht is achter de mortaliteitsreductie zal in de toekomst evenwel nog verder moeten worden bestudeerd. De huidige medische therapie voor hartfalen is in ieder geval wel een zeer efficiënte farmacologische strategie om de hartspier te ontlasten. Er bestaat daarvoor zeer sterke evidentie, die zelfs aantoont dat snellere titratie de overleving verbetert.9 Wegens het lage hartdebiet en de lage bloeddruk is het meestal onmogelijk om een deel van die medicijnen opgestart te krijgen of te bestuderen tijdens cardiogene shock, maar wanneer de patiënt met tMCS wordt ondersteund, wordt dat effect gecompenseerd en is het soms wel mogelijk om zo'n therapie snel op te starten.10 Een recente studie uit België suggereerde ook voor het eerst dat dat veilig mogelijk is met een hint naar een gunstig effect.10 Trials naar die strategie zouden dus een volgende stap kunnen zijn in deze aftermath.

From temporary mechanical circulatory support to left ventricular assist device or heart transplant: patient selection and timing

Marta Zaleska-Kociecka - Warschau, Polen

Wat als het hart van de patiënt onvoldoende herstelt na de acute fase? Deze sessie zoomde in op het gebruik van hartvervangende therapie in de vorm van linkerventrikel assist device (LVAD) en harttransplantatie. Er werden recente gegevens getoond waaruit blijkt dat België een klein tot intermediair volume aan LVAD-implantaties aanbiedt ten opzichte van andere Europese landen, met 4,4 implantaties per miljoen inwoners, en over het algemeen is het gebruik van LVAD in vele Europese landen onderbelicht.11 De proportie van patiënten die met tMCS wordt ondersteund op het ogenblik van aanmelding voor hartvervangende therapie is het laatste decennium aanzienlijk gegroeid.12 Dat heeft enerzijds te maken met het eerder genoemde groeiende gebruik van tMCS, maar anderzijds ook met de teleurstellende resultaten wanneer LVAD in de acute fase (INTER MACS I) wordt geplaatst.

In het vervolg van de presentatie stelde de spreker een driestapsalgoritme voor om te beslissen over LVAD-implantatie. De eerste stap is de identificatie van de patiënt die onvoldoende potentieel voor verder cardiaal herstel heeft, waarbij men zich meer en meer realiseert dat dat pas na 7 tot 14 dagen mogelijk is, in tegenstelling tot wat klassiek werd gedacht.13 De tweede stap is de moeilijkste en bestaat uit het afwegen van de risico's en baten van palliatieve therapie versus hartvervangende therapie. Dat is een beslissing die op zeer individuele basis (waarbij dus ook draagkracht en sociale context meespelen) genomen wordt door een multidisciplinair team. De derde stap, tot slot, bestaat uit een grondige evaluatie van alle tegenindicaties, waarbij moet worden opgemerkt dat actieve maligniteiten bijvoorbeeld wel een tegenindicatie vormen voor transplantatie, maar een LVAD een brug naar een behandeling kan zijn. Een ander voorbeeld is de patiënt met morbide obesitas die wel een LVAD kan krijgen als brug naar vermagering en dan een meer definitieve therapie door transplantatie.

Vervolgens kwam het vermijden van tMCS-complicaties weer aan bod in de presentatie, aangezien die de kans op een succesvolle hartvervangende therapie kunnen verminderen.

Bridge to recovery: rehabilitation pathways and quality of life after cardiogenic shock

Agnieszka Tycinska - Bialystok, Polen

Revalidatie is een belangrijk onderdeel van de therapie op de cardiale intensieve zorgen, ook voor patiënten die gestabiliseerd werden na cardiogene shock. De spreker toont data die suggereren dat revalidatie de ventilatieduur kan verminderen, het verblijf op intensieve zorgen kan verkorten en de spierkracht verbetert. Daarmee verbonden is het gebruik van sedatie. Meerdere (gerandomiseerde) studies toonden aan dat het onderbreken en beperken van sedatie de ventilatieduur en mogelijk zelfs de mortaliteit reduceren in een gemengde populatie van intensivecarepatiënten. Er wordt daarom aanbevolen om een sedatiediepte volgens de Richmond Agitation and Sedation Scale tussen -1 en +1 na te streven, ook in patiënten met cardiogene shock.

End-of-life decisions in intensive cardiac care unit: from communication to practical implementation

Doroteia Silva - Lissabon, Portugal

Een onderwerp dat vermoedelijk onderbelicht wordt, is het palliatieve aspect na de acute fase van cardiogene shock. Sommige patiënten zullen ondanks onze interventies onvoldoende herstellen om nog naar een kwalitatief leven terug te keren en komen niet meer in aanmerking voor hartvervangende therapie. Een mooie quote van Dunstan geeft het belang van palliatieve zorg in deze context helder weer: 'The success of intensive care is not to be measured only by the statistics of survival, as though each death were a medical failure. It is to be measured by the quality of lives preserved or restored; and by the quality of the dying of those in whose interest it is to die; …'14 Deze zorg is multidisciplinair en de waarden van de patiënt staan centraal. De spreker refereerde aan de richtlijnen die Kesecioglu et al. in 2024 publiceerden, maar benadrukt tegelijkertijd het belang van lokale richtlijnen op nationaal, maar ook op ziekenhuisniveau, aangezien de socioculturele achtergrond van patiënten enorm verschillend is binnen Europa.15 Vervolgens werd een overzicht gegeven van courante palliatieve interventies, om te eindigen met enkele tips rond het actief stopzetten van therapieën zoals vasopressoren, maar ook interne defibrillatoren, die een specifieke vraagstelling zijn bij de hartpatiënt.

Referenties

  1. Lüsebrink E, Binzenhöfer L, Adamo M, Lorusso R, Mebazaa A, Morrow DA, et al. Cardiogenic shock. Lancet. 2024;404(10466):2006-20.
  2. Ott S, Germinario L, Müller-Wirtz LM, Nersesian G, Hennig F, Hommel M, et al. Impact of complications on survival outcomes in different temporary mechanical circulatory support techniques: a large retrospective cohort study of cardiac surgical and nonsurgical patients. J Heart Lung Transplant. 2025;44(6):880-91.
  3. Thiele H, Zeymer U, Akin I, Behnes M, Rassaf T, Mahabadi AA, et al. Extracorporeal life support in infarct-related cardiogenic shock. N Engl J Med. 2023;389(14):1286-97.
  4. Zeymer U, Freund A, Hochadel M, Ostadal P, Belohlavek J, Rokyta R, et al. Venoarterial extracorporeal membrane oxygenation in patients with infarct-related cardiogenic shock: an individual patient data meta-analysis of randomised trials. Lancet. 2023;402(10410):1338-46.
  5. M&‌oslash;ller JE, Engstr&‌oslash;m T, Jensen LO, Eiskjær H, Mangner N, Polzin A, et al. Microaxial flow pump or standard care in infarct-related cardiogenic shock. N Engl J Med. 2024;390(15):1382-93.
  6. Zweck E, Hassager C, Beske RP, Jensen LO, Eiskjær H, Mangner N, et al. Microaxial flow pump use and renal outcomes in infarct-related cardiogenic shock: a secondary analysis of the DanGer Shock Trial. Circulation. 2024;150(25):1990-2003.
  7. Meyns B, Stolinski J, Leunens V, Verbeken E, Flameng W. Left ventricular support by catheter-mounted axial flow pump reduces infarct size. J Am Coll Cardiol. 2003;41(7):1087-95.
  8. M&‌oslash;ller JE, Beske RP, Jensen LO, Eiskjær H, Mangner N, Polzin A, et al. Effect of microaxial flow pump on hemodynamics in STEMI-related cardiogenic shock. J Am Coll Cardiol. 2025;85(25):2456-68.
  9. Mebazaa A, Davison B, Chioncel O, Cohen-Solal A, Diaz R, Filippatos G, et al. Safety, tolerability and efficacy of up titration of guideline-directed medical therapies for acute heart failure (STRONG HF): a multinational, open-label, randomised trial. Lancet. 2022;400(10367):1938-52.
  10. Balthazar TIM, Raes M, Carmeliet TOM, Van Loo I, Lochy S, Argacha JF, et al. Aggressive up titration of heart failure guideline directed medical therapies in cardiogenic shock supported by a percutaneous ventricular assist device. J Card Fail. 2025.
  11. Baudry G, Metra M, Delmas C. Are mechanical circulatory supports the forgotten aspect in the implementation of therapies for heart failure? Eur J Heart Fail. 2024;26(11):2392-5.
  12. Dellgren G, Cherikh WS, Singh TP, Kim KH, Lewis A, Keller BC, et al. The International Thoracic Organ Transplant Registry of the International Society for Heart and Lung Transplantation: 2026 annual report of heart and lung transplantation. J Heart Lung Transplant. 2026.
  13. Dandamudi M, Vunnam S, Rehman T, Faizan MA, Samaniego Laguna MA, Mojica JC, et al. Impact of Impella 5.5 duration support and clinical outcomes in cardiogenic shock: evidence from a systematic review and meta analysis of observational studies. JHLT Open. 2026;12:100538
  14. Dunstan GR. Hard questions in intensive care. A moralist answers questions put to him at a meeting of the Intensive Care Society, Autumn, 1984. Anaesthesia. 1985;40(5):479-82.
  15. Kesecioglu J, Rusinova K, Alampi D, Arabi YM, Benbenishty J, Benoit D, et al. European Society of Intensive Care Medicine guidelines on end of life and palliative care in the intensive care unit. Intensive Care Med. 2024;50(11):1740-66.

Niets van de website mag gebruikt worden voor reproductie, aanpassing, verspreiding, verkoop, publicatie of commerciële doeleinden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Het is ook verboden om deze informatie elektronisch op te slaan of te gebruiken voor onwettige doeleinden.