Congresverslag - European Association of Preventive Cardiology 2026
Tijdens het jaarlijkse congres van de European Association of Preventive Cardiology 2026, dat plaatsvond van 23 tot 25 april 2026 in Ljubljana, Slovenië, werd op vrijdag 24 april een sessie gewijd aan innovatieve strategieën voor de optimale opvolging van patiënten na een acuut coronair syndroom (ACS). De sessie 'Strategies for optimal postacute coronary syndrome (ACS) management: the EAPC Opti(MI)se Programme' bracht experten samen rond evidence-based nazorg, kwaliteitsverbetering en digitale innovaties binnen cardiovasculaire preventie en revalidatie.
De sessie werd voorgezeten door Constantinos Davos en Emeline Van Craenenbroeck. Tijdens het programma kwamen drie presentaties aan bod. Roberto Franco Enrico Pedretti opende met een overzicht van de optimale levensloop en zorgtrajecten na ACS. Vervolgens besprak Baris Gencer hoe de kwaliteit van post-ACS-zorg geëvalueerd en verbeterd kan worden aan de hand van kwaliteitsindicatoren en systematische opvolging. Tot slot lichtte Sevda Ece Kizilkilic toe hoe digitale tools kunnen bijdragen aan de ondersteuning van patiënten na ACS, met bijzondere aandacht voor therapietrouw, risicofactorcontrole en langdurige opvolging.
De sessie kaderde binnen het bredere EAPC Opti(MI)se Programme, een initiatief dat inzet op gestandaardiseerde, multidisciplinaire en technologie-ondersteunde zorgpaden om de langetermijnuitkomsten van patiënten na een myocardinfarct te verbeteren.
Optimal lifelong roadmap post-ACS
Roberto Franco Enrico Pedretti - Italië
Roberto Franco Enrico Pedretti presenteerde de nieuwe Optimal lifelong roadmap post-ACS, een klinische consensusverklaring ontwikkeld binnen het EAPC Opti(MI)se-programma. De roadmap werd recent gepubliceerd in het European Journal of Preventive Cardiology en heeft als doel een meer gestructureerde, gepersonaliseerde en langdurige aanpak van post-ACS-zorg te ondersteunen.1
Pedretti opende zijn presentatie met de vaststelling dat ACS nog steeds een belangrijke oorzaak blijft van mortaliteit en morbiditeit in Europa. Hoewel de acute zorg de afgelopen jaren sterk verbeterd is, blijven de langetermijnuitkomsten suboptimaal. Volgens hem richten de huidige richtlijnen zich voornamelijk op de onmiddellijke post-eventfase, terwijl er relatief weinig aandacht is voor de langdurige opvolging van patiënten. Daarnaast wees hij op de grote heterogeniteit tussen Europese gezondheidszorgsystemen, wat leidt tot verschillen in toegang tot preventie en in klinische uitkomsten.
Om deze lacunes aan te pakken, ontwikkelde de EAPC een levenslange roadmap voor patiënten na ACS. Het centrale doel hiervan is het aanbieden van een gestructureerd en gefaseerd zorgmodel dat zowel patiëntgericht als evidence-based is. Daarbij werd rekening gehouden met verschillende patiëntprofielen en met de praktische toepasbaarheid in de dagelijkse klinische praktijk. Het uiteindelijke doel is een model te creëren dat niet enkel theoretisch onderbouwd is, maar ook effectief implementeerbaar is.
Voor de ontwikkeling van de roadmap werd gebruikgemaakt van een advice development process (ADP), waarbij ESC-richtlijnen vertaald werden naar concrete zorgpaden en praktische aanbevelingen. Deze richtlijnen werden overzichtelijk samengebracht in adviestabellen rond onder meer zorgtrajecten, farmacologische behandeldoelen, leefstijldoelstellingen en therapietrouw op lange termijn (figuur 1).

In de roadmap wordt een algemeen zorgpad beschreven voor alle patiënten na ACS, aangevuld met specifieke trajecten voor bijzondere risicoprofielen. Zo werden aparte zorgpaden uitgewerkt voor patiënten met een verhoogd risico op hartfalen of linkerventrikeldisfunctie, hartritmestoornissen of recurrente trombotische events. Daarnaast werd aandacht besteed aan patiënten met een hoge psychosociale belasting, diabetes mellitus, oudere en fragiele patiënten met multimorbiditeit, en jonge vrouwen.
Binnen elk zorgpad stonden drie doelstellingen centraal: optimale medicamenteuze therapie, aandacht voor leefstijl en psychosociale begeleiding — inclusief seksuele counseling — en het bevorderen van langdurige therapietrouw aan zowel farmacologische als niet-farmacologische interventies.
Pedretti lichtte vervolgens de methodologie achter de aanbevelingen toe. De adviestabellen werden ontwikkeld via een onafhankelijk en geblindeerd stemsysteem, waarbij aanbevelingen werden ingedeeld in duidelijke operationele categorieën zoals to do, may do en not to do. De sterkte van elke aanbeveling werd bepaald op basis van zowel de kwaliteit van het beschikbare bewijs als de mate van consensus binnen de werkgroep.
Een belangrijk onderdeel van de roadmap is de indeling van post-ACS-zorg in verschillende fasen. Naast de klassieke tijdsgebonden indeling in de acute, post-acute en chronische fase introduceert de roadmap ook een nieuwe functionele benadering gebaseerd op het klinische doel van de zorg. Hierbij worden drie opeenvolgende fasen onderscheiden: initiatie, optimalisatie en consolidatie. Deze fasen zijn niet louter afhankelijk van tijd sinds het indexevent, maar vooral van de klinische noden, het risicoprofiel en de noodzakelijke interventies bij de individuele patiënt.
De grafische samenvatting van de roadmap omvat zes opeenvolgende stappen. De eerste drie stappen vinden plaats in het ziekenhuis en binnen cardiale revalidatie, terwijl de laatste drie stappen zich voornamelijk situeren in de ambulante setting en thuissituatie van de patiënt. Hierbij wordt sterk ingezet op continuïteit van zorg en multidisciplinaire samenwerking.
Een opvallend aspect van de presentatie was de nadruk op de rol van de eerstelijnszorg. Volgens Pedretti kunnen stabiele patiënten zonder hoogrisicoprofiel reeds binnen de eerste twaalf maanden na een myocardinfarct gedeeltelijk worden opgevolgd door huisartsen, in samenwerking met cardiologen. Tijdens de chronische fase, meer dan twaalf maanden na het event, spelen huisartsen volgens hem een sleutelrol in het consolideren van levenslange secundaire preventie, met periodieke cardiologische evaluaties indien nodig.
Tot slot formuleerde Pedretti zeven redenen waarom clinici deze roadmap zouden moeten raadplegen. Volgens hem herdefinieert het document post-ACS-zorg als een levenslange opdracht, vertaalt het richtlijnen naar concrete klinische praktijk en maakt het echte personalisatie mogelijk via risicofenotype-gedreven zorg. Daarnaast benadrukt de roadmap expliciet het belang van psychosociale zorg, therapietrouw als therapeutisch doelwit en geïntegreerde zorgmodellen waarin acute zorg, cardiale revalidatie, ambulante cardiologie en eerstelijnszorg nauw samenwerken. Volgens Pedretti is het vooral de praktische toepasbaarheid die deze roadmap bijzonder relevant maakt voor de dagelijkse klinische praktijk.
Evaluating quality in post-acute coronary syndrome care
Baris Gencer - Zwitserland
In de tweede presentatie van de sessie besprak Baris Gencer het belang van kwaliteitsindicatoren binnen de langdurige opvolging van patiënten na een myocardinfarct (MI). Zijn presentatie bouwde verder op het EAPC Opti(MI)se-programma en focuste op de ontwikkeling van ESC quality indicators (QI) voor post-MI-zorg, recent gepubliceerd in het European Journal of Preventive Cardiology.
Gencer benadrukte dat kwaliteitszorg een essentiële schakel vormt tussen richtlijnen en de dagelijkse klinische praktijk. Volgens hem bestaat kwaliteitsverbetering uit een continue cyclus waarbij richtlijnen vertaald worden naar educatieve activiteiten en klinische implementatie, waarna kwaliteitsindicatoren meten in welke mate deze aanbevelingen daadwerkelijk toegepast worden in de 'real world'. Die metingen leveren vervolgens feedback op waarmee zorgsystemen verder geoptimaliseerd kunnen worden.
Om het belang van kwaliteitsmeting te illustreren verwees hij naar de bekende uitspraak van Lord Kelvin: 'If you cannot measure it, you cannot improve it.' Volgens Gencer is het daarom cruciaal om zorgprocessen systematisch en voortdurend te evalueren.
Vervolgens lichtte hij de methodologie achter de ontwikkeling van de ESC-kwaliteitsindicatoren toe. De ontwikkeling verliep volgens de gestandaardiseerde ESC-methodologie voor kwaliteitsindicatoren. Eerst werden de belangrijkste zorgdomeinen voor post-MI-zorg geïdentificeerd aan de hand van literatuuronderzoek en systematische reviews. Daarna werden kandidaat-indicatoren ontwikkeld met duidelijke definities van teller en noemer. De uiteindelijke selectie gebeurde via een gemodificeerd Delphi-proces waarbij experten onafhankelijk stemden over de validiteit en haalbaarheid van elke indicator. Enkel indicatoren die zowel klinisch relevant als praktisch uitvoerbaar werden geacht, werden opgenomen in de finale set.
Binnen het project werden zeven centrale domeinen van langdurige post-MI-zorg gedefinieerd: structurele organisatie van zorg, risico-evaluatie en follow-up, farmacologische behandeling, cardiale revalidatie en gedragsinterventies, coronaire revascularisatie, klinische uitkomsten en patiëntgerapporteerde uitkomsten. Gencer benadrukte dat deze domeinen sterk met elkaar verbonden zijn en dat therapeutische interventies rechtstreeks invloed hebben op zowel klinische als patiëntgerapporteerde uitkomsten.
De uiteindelijke ESC-set omvat zeven domeinen, twaalf hoofdindicatoren en zes secundaire indicatoren. De hoofdindicatoren kregen de hoogste scores tijdens het Delphi-proces en worden beschouwd als de meest essentiële kwaliteitsmetingen voor dagelijkse praktijkvoering. De secundaire indicatoren blijven relevant, maar worden vooral aanbevolen wanneer lokale registratie en implementatie haalbaar zijn.
Gencer besprak vervolgens verschillende concrete voorbeelden van kwaliteitsindicatoren. Binnen het structurele domein wordt onder meer geëvalueerd of zorgcentra beschikken over een gestructureerd post-discharge zorgpad voor patienten na een myocardinfarct, inclusief verwijzing naar cardiale revalidatie en langdurige opvolging door zorgverleners met expertise in cardiovasculaire preventie.
Binnen het domein 'risico-evaluatie en follow-up' werd het belang benadrukt van jaarlijkse opvolging gericht op cardiovasculaire risicofactoren zoals roken, obesitas, hyperlipidemie, diabetes, hypertensie, voeding en fysieke activiteit. Daarnaast omvatten de indicatoren ook de evaluatie van persisterende symptomen zoals angina, waarbij verdere diagnostiek met ecg, echocardiografie of beeldvorming aanbevolen wordt indien klachten blijven bestaan, ondanks optimale medicamenteuze therapie.
Het grootste aantal kwaliteitsindicatoren situeerde zich binnen het farmacologische domein. Hier werden onder meer indicatoren ontwikkeld rond levenslange antiplatelettherapie, intensieve LDL-cholesterolverlaging, hypertensiebehandeling, symptomatische anti-angineuze therapie en het gebruik van GLP-1-receptoragonisten of SGLT2-inhibitoren bij patiënten met type 2-diabetes. Ook influenza-vaccinatie en gastroprotectie bij een verhoogd bloedingrisico werden opgenomen als secundaire indicatoren.
Een ander belangrijk onderdeel van de presentatie was de aandacht voor cardiale revalidatie en gedragsmatige interventies. Volgens Gencer mag secundaire preventie zich niet beperken tot farmacologische behandeling alleen. Daarom bevatten de kwaliteitsindicatoren ook jaarlijkse educatie en counseling rond therapietrouw, leefstijl, psychologisch welzijn en deelname aan multidisciplinaire cardiale revalidatieprogramma's.
Daarnaast werd ook aandacht besteed aan indicatoren rond coronaire revascularisatie, klinische uitkomsten en patiëntgerapporteerde kwaliteit van leven. Zo worden jaarlijkse registraties van mortaliteit, cardiovasculaire hospitalisaties en gezondheidsgerelateerde levenskwaliteit aanbevolen via gevalideerde vragenlijsten zoals EQ-5D en HeartQoL.
In het slot van zijn presentatie ging Gencer in op de praktische implementatie van deze kwaliteitsindicatoren. Hij benadrukte dat succesvolle implementatie enkel mogelijk is wanneer richtlijnen voldoende eenvoudig en praktisch toepasbaar zijn. Daarnaast moeten lokale barrières zoals beperkte toegankelijkheid, financiële beperkingen en organisatorische uitdagingen actief aangepakt worden. Interprofessionele samenwerking tussen ziekenhuizen, cardiale revalidatiecentra, ambulante zorgverleners en eerstelijnszorg is volgens hem essentieel om langdurige post-MI-zorg te optimaliseren.
Tot slot benadrukte hij het belang van registratiesystemen en kwaliteitsmetingen op populatieniveau. Door systematisch gegevens te verzamelen via ziekenhuis- en gemeenschapsregisters kunnen zorgverleners beter evalueren in welke mate richtlijnen daadwerkelijk geïmplementeerd worden en waar verdere verbeteringen nodig zijn. Volgens Gencer vormen deze kwaliteitsindicatoren dan ook een belangrijk instrument om de kloof tussen richtlijnen en dagelijkse praktijk verder te verkleinen (figuur 2).

Implementing digital tools in post-acute coronary syndrome care
Sevda Ece Kizilkilic - België
De laatste presentatie werd gegeven door Sevda Ece Kizilkilic, doctoraatsonderzoeker verbonden aan Universiteit van Hasselt, Gent en het Jessa Ziekenhuis. De presentatie focuste op de implementatie van digitale ondersteunende tools binnen de langdurige opvolging van patiënten na een ACS, met bijzondere aandacht voor de kloof tussen wetenschappelijke evidentie en dagelijkse praktijk.
De presentatie startte met de vraag waarom digitale ondersteunende tools vandaag zo belangrijk zijn binnen post-ACS-zorg. Volgens haar verschuift de focus na de acute ziekenhuisfase naar langdurige cardiovasculaire preventie, waarbij leefstijlverandering, risicofactorcontrole en therapietrouw centraal staan. Dat vereist continue ondersteuning op lange termijn, iets wat moeilijk realiseerbaar is met uitsluitend traditionele, ziekenhuisgebaseerde zorgmodellen. Digitale tools kunnen deze kloof helpen overbruggen door uitbreiding van de zorg buiten de ziekenhuisomgeving en meer continue, gepersonaliseerde opvolging mogelijk te maken.
Daarna werd verder ingegaan op de evidentie rond digitale interventies. Ze benadrukte dat de vraag of digitale tools effectief zijn ondertussen grotendeels beantwoord is. Volgens recente studies en meta-analyses behalen interventies zoals cardiale telerevalidatie vergelijkbare resultaten als klassieke centrumgebaseerde revalidatie en betere uitkomsten dan usual care. Er werd verwezen naar een recente systematische review en meta-analyse waarin 25 gerandomiseerde studies met meer dan 2700 patiënten werden geïncludeerd. Daaruit bleek dat cardiale telerevalidatie significante verbeteringen gaf ten opzichte van usual care voor zowel piek-VO₂ als de zesminutenwandeltest, terwijl de resultaten vergelijkbaar waren met conventionele cardiale revalidatie.
De grootste uitdaging ligt daarom niet langer bij de effectiviteit van digitale interventies, maar bij hun implementatie in de routinezorg. Ondanks sterke wetenschappelijke evidentie blijven digitale tools onvoldoende geïntegreerd in de dagelijkse cardiovasculaire praktijk. Dit kunnen we omschrijven als een duidelijke implementatiekloof: we weten dat deze interventies werken, maar ze worden nog onvoldoende toegepast.
Om deze implementatiekloof beter te begrijpen, onderscheiden we drie niveaus waarop barrières ontstaan: het patiëntniveau, het niveau van de zorgprofessional en het niveau van het gezondheidssysteem. Elk niveau brengt specifieke uitdagingen met zich mee die aangepakt moeten worden voor een succesvolle integratie van digitale zorgmodellen (figuur 3).

Binnen het patiëntniveau ligt de nadruk op digitale gezondheidsvaardigheden, gedeelde besluitvorming, patiëntbetrokkenheid en gedragsverandering. Volgens haar moeten patiënten niet alleen toegang hebben tot digitale tools, maar ook beschikken over de vaardigheden om digitale gezondheidsinformatie correct te begrijpen en te gebruiken. Daarnaast moeten patiënten actief betrokken worden bij hun zorgproces en ondersteund worden in langdurige gedragsverandering en therapietrouw.
Er zijn verschillende onderzoeksprojecten waarin deze thema's centraal staan. Een eerste voorbeeld is een systematische review en meta-analyse binnen het EAPC Opti(MI)se-initiatief, waarin educatieve interventies gericht op verbetering van digitale gezondheidsvaardigheden werden geëvalueerd. De analyse includeerde 21 studies met meer dan 4000 deelnemers en toonde aan dat hierbij vooral gestructureerde, interactieve en face-toface educatie effectief is. App-gebaseerde of volledig online interventies hadden daarentegen een beperktere impact.3
Daarnaast besprak ze het Shared Heart-project,4 waarin gedeelde besluitvorming centraal staat. Digitale tools kunnen volgens haar gedeelde besluitvorming ondersteunen door gepersogepersonaliseerde informatie aan te bieden en patiënten te helpen behandelingsopties beter af te stemmen op hun persoonlijke voorkeuren en dagelijkse leven. Dit verhoogt zowel patiëntbetrokkenheid als therapietrouw op lange termijn.
Een derde belangrijk voorbeeld was het CoroPrevention-programma,5 waarin patiëntengagement en gedragsverandering onderzocht worden binnen een realworld setting. Binnen dit zorgpad staan personalisatie, patiënt empowerment, zelfmanagement en gedragstheorie centraal. Het programma maakt gebruik van technieken zoals het formuleren van doelstellingen, feedback, zelfmonitoring en motiverende ondersteuning om duurzame leefstijlverandering te bevorderen. Langdurige ondersteuning is hierbij essentieel, aangezien gedragsverandering een complex en continu proces blijft.
Ook de barrières op het niveau van zorgprofessionals en gezondheidssystemen werden onder de loep genomen. Zorgverleners moeten hun workflows aanpassen, nieuwe digitale competenties ontwikkelen en ondersteund worden met opleiding en duidelijke protocollen. Op systeemniveau blijven terugbetaling, gegevensbescherming en integratie van digitale toepassingen in elektronische patiëntendossiers belangrijke uitdagingen.
Om deze implementatieproblemen verder te onderzoeken loopt momenteel een implementatiestudie rond telerevalidatie in het Jessa Ziekenhuis. In deze studie worden niet alleen klinische uitkomsten onderzocht, maar ook implementatie-uitkomsten zoals haalbaarheid, aanvaardbaarheid, geschiktheid van de interventie, digitale gezondheidsvaardigheden, kosteneffectiviteit en de tijdsinvestering van zorgverleners. Daarmee wil men beter begrijpen hoe digitale zorgprogramma's functioneren in een realistische klinische context.
In de afsluitende take-home messages werd benadrukt dat digitale tools effectief zijn, maar dat implementatie momenteel de grootste uitdaging vormt. Het belang van gedragsverandering, langdurige ondersteuning en patiëntgerichte integratie is onmiskenbaar. Een uniforme aanpak is onvoldoende en moet de toekomst van cardiovasculaire preventie evolueren naar gepersonaliseerde preventie, afgestemd op de individuele noden, vaardigheden en voorkeuren van elke patiënt.
Referenties
- Pedretti RFE, Van Craenenbroeck E, Vrints C, Ambrosetti M, Kurpas D, Vassiliou VS. Optimal lifelong roadmap post-ACS. A Clinical Consensus Statement of the European Association of Preventive Cardiology of the ESC. Eur J Prev Cardiol. 2026 Apr 22:zwag236.
- Gencer B, Follonier C, Abdelrahman A, Rossello X, Sionis A, Wilhelm M, et al. ESC Quality Indicators for Post-myocardial infarction Care: Transition and Chronic Coronary Syndrome Phases. Developed in collaboration with the European Association of Preventive Cardiology of the ESC. Eur J Prev Cardiol. 2025 Dec 4:zwaf761.
- Kizilkilic SE, Xu L, Akinci B, Brørs G, Bäck M, Baritello O, et al. Educational methods to improve digital health literacy: a systematic review and meta-analysis for the EAPC Opti(MI)se initiative. Eur J Prev Cardiol. 2025 Jul 15:zwaf354.
- Kizilkilic SE, Ramakers W, Falter M, Scherrenberg M, Bonneux C, Pieters Z, et al. A digitally supported shared decisionmaking approach for patients during cardiac rehabilitation: a randomized controlled trial. Eur J Prev Cardiol. 2025 Aug 28:zwaf537.
- Bonneux C, Mahmood D, Scherrenberg M, Falter M, Rovelo Ruiz G., Kindermans, H, et al. The CoroPrevention-SDM approach: a technology-supported shared decision making approach for a comprehensive secondary prevention program for cardiac patients. Scitepress. 2022.
Niets van de website mag gebruikt worden voor reproductie, aanpassing, verspreiding, verkoop, publicatie of commerciële doeleinden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Het is ook verboden om deze informatie elektronisch op te slaan of te gebruiken voor onwettige doeleinden.