Symposium van de Belgische Interdisciplinaire
Werkgroep voor Acute Cardiologie (BIWAC) op
28/01/2016
Het symposium van de Belgische Interdisciplinaire Werkgroep voor Acute
Cardiologie op het congres van de Belgian Society of Cardiology behandelde
de acute cardiale zorg in de preziekenhuissetting. Er waren drie verschillende
voordrachten, telkens gebracht door een expert-opinieleider in de aanpak
van acute cardiale syndromen.
In de eerste voordracht behandelde prof.
dr. Peter Sinnaeve, cardioloog van het
UZ Leuven, het medisch preziekenhuisbeleid
bij de STEMI-patiënt. Primaire
percutane coronaire interventie (pPCI)
is de standaardbehandeling bij patiënten
met een ST-elevatiemyocardinfarct
(STEMI). Welke (farmacologische)
behandeling kunnen we de STEMIpatiënt
bieden tijdens het transport naar
het cathlabcentrum?
Het is essentieel om de transporttijd
zo kort mogelijk te houden. Volgens de
richtlijnen van de Europese Vereniging
voor Cardiologie, gepubliceerd in 2014,
moet de tijd tussen het oproepen van het
noodnummer 100 en het openen van de
afgesloten kransslagader in alle gevallen
minder dan 120 minuten zijn, en
voor patiënten die rechtstreeks naar het
cathlabcentrum gebracht worden zelfs
minder dan 90 minuten.
Uit de gegevens van het Belgisch STEMI-
register blijkt dat deze transferttijden
de laatste jaren (2007 t/m 2013) niet zijn
afgenomen. Dit was vooral duidelijk bij
de STEMI-patiënten die zich vroegtijdig
aanboden, < 3 u na het begin van
symptomen. In deze groep zagen we een
bijna verdubbeling van de proportie van
patiënten met diagnose-tot-ballontijd
(DBT) > 90 minuten (9,8 % in 2007
naar 17 % in 2013) (figuur 1).
Logistieke problemen bij het dringend
transporteren van patiënten tussen ziekenhuizen
moeten aangepakt worden
om de transferttijden en de overleving
van STEMI-patiënten te verbeteren.
De laatste jaren zijn er verschillende
gerandomiseerde onderzoeken gepubliceerd
over de (farmacologische) behandeling
van STEMI-patiënten tijdens het
transport naar het cathlabcentrum.
Systematische toediening van zuurstof
aan alle patiënten met STEMI is nadelig
volgens de AVOID-studie. Ook het
gebruik van een bètablokker, metoprolol,
in de preziekenhuisfase is nadelig en
verhoogt het risico op cardiogene shock.
Bivalirudine (Angiox®) in de preziekenhuisfase
verhoogt het risico op stenttrombose
na de pPCI, in vergelijking met
standaard heparine. Recent werd nog een
studie gepubliceerd die een nadelig effect
toonde van morfine op de werking van de P2Y12-blokker, ticagrelor, bij STEMI.
Ook het gebruik van glycoproteïne IIbIIIa-
receptorblokkers heeft geen voordeel
in de preziekenhuisfase van STEMI.
Preloading van de STEMI-patiënt met
aspirine en een P2Y12-antagonist daarentegen
is wel belangrijk.
En bij patiënten die niet tijdig (< 120
min) in het cathlab geraken, moet fibrinolyse
overwogen worden.
De tweede spreker, prof. dr. Christian
Spaulding, cardioloog van het Georges
Pompidou-ziekenhuis te Parijs, behandelde
het ‘out-of-hospital cardiaal arrest’
(OHCA), in het bijzonder de vraag of
elke patiënt met cardiaal arrest (CA)
onmiddellijk een coronarografie moet
krijgen (figuur 2). Een vroege PCI is een
van de belangrijkste voorspellende factoren
voor overleving bij CA-patiënten.
Daarbij komt dat een 12 afleidingen-ecg
na CA niet altijd diagnostisch is voor
STEMI. Vandaar dat ook bij CA-patiënten
zonder ST-elevatie op het ecg een
snelle coronarografie en aansluitend PCI
worden voorgesteld. Deze hypothese,
namelijk onmiddellijke vs. electieve (na
72 u) coronarografie bij CA-overlevenden
zonder ST-segmentelevatie op het
ecg, wordt momenteel onderzocht in een
gerandomiseerde studie.
Verder is de incidentie van stenttrombose
bij CA-patiënten die een onmiddellijke
PCI ondergingen zeer hoog (om en bij de
10 %). Dit is waarschijnlijk te verklaren
door een relatieve resistentie tegen, en
vertraagde absorptie van, orale P2Y12-blokkers.
Andere criteria dan het 12 afleidingen-ecg,
die kunnen gebruikt worden bij de
beslissing tot dringende coronarografie
zijn de afwezigheid van bloedflow > 10
minuten en het herstel van (sinus)ritme
na DC-shock.
Tot slot stelde de spreker voor om CA-patiënten
niet op te nemen in de verplichte
ziekenhuisregistratie van percutane
coronaire interventies aangezien dit
zou kunnen leiden tot onderbehandeling
van CA-patiënten.
De derde spreker, dr. Olivier Van Caenegem van
de CliniquesUniversitaires
St. Luc te Brussel, behandelde de plaats
van extracorporele membraanoxygenatie
(ECMO) in de setting van cardiopulmonaire
reanimatie (CPR). De resultaten
van extracorporele lifesupport (ECLS)
zijn ontgoochelend. De grootste registers
komen uit Aziatische landen, met name
Zuid-Korea. Er is geen bewijs dat deze
techniek de overleving van de patiënt
met OHCA verbetert.
Patiënten met een ‘shockbare’ ritmestoornis
zoals ventrikeltachycardie of
ventrikelfibrillatie doen het beter dan
patiënten met een asystolie. Andere factoren
die in rekening gebracht moeten
worden bij de beslissing om ECLS
te starten zijn leeftijd, lactaatspiegel en
tijdsinterval tussen de hartstilstand en
het opstarten van CPR.
Tot slot presenteerde dr. Maarten Vanhaverbeke
van de KU Leuven als beste
abstract de resultaten van zijn onderzoek
om via genexpressie van de inflammatoire
respons patiënten met hoog risico
op een event na een acuut coronair syndroom
te identificeren.
Niets van de website mag gebruikt worden voor reproductie, aanpassing, verspreiding, verkoop, publicatie of commerciële doeleinden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Het is ook verboden om deze informatie elektronisch op te slaan of te gebruiken voor onwettige doeleinden.