Samenvatting van de sessie van de Young
Cardiologists’ op vrijdag 29 januari 2016
3D printing ‘Toy or tool?’
Prof. Werner Budts, KUL, begon zijn
voordracht met een situering en historisch
overzicht over hoe onze beeldvorming
van cardiovasculaire structuren
geëvolueerd is de laatste decennia. De
hoogtechnologische evolutie in de beeldvorming
heeft geleid tot een beter begrip
en inzicht. Dagelijks werken we met
technieken zoals coronaire angiografie,
CT,MRI en echocardiografie die geëvolueerd
zijn van een twee- (2D) naar een
driedimensionale (3D) beeldvorming.
Hierdoor zijn we in staat om structuren
beter in hun totaliteit te evalueren
in relatie met hun omgeving. Hierbij
werden voorbeelden aangehaald zoals de
volledige visualisatie van de insertieplaats
van de vasculaire steel van een atriaal
myxoom, en de realtime begeleiding van
een atriumseptumdefectsluiting met een
closure-device. Postprocessing van de
3D-datasets geeft bijkomende info en
het direct meten van volumes (bv. ejectiefractie)
is mogelijk zonder geometrische
assumpties te moeten maken.
Een grote tekortkoming blijft evenwel
dat deze 3 D-informatie nog altijd weergegeven
wordt op een vlak 2D-scherm en
met een 3D-printer bestaat de mogelijkheid
om deze beelden als het ware uit het
schermte halen en letterlijk in onze handen
te nemen. Dit heeft onmiddellijk al
enkele mogelijke nieuwe klinische implicaties.
Een 3D-printvoorbeeld van een
coarctatio aortae werd getoond, waarbij
in vitro de hemodynamische eigenschappen
gemeten kunnen worden (drukgradiënten)
en het effect van een dilatatie ex
vivo nagebootst kan worden, vooraleer
de eigenlijke procedure bij de patiënt
verricht wordt. Ook zou theoretisch de
radiale kracht getest kunnen worden die
nodig zou zijn om een optimale stentexpansie
te verkrijgen. Voor dit laatste is
er momenteel volop onderzoek lopende,
waarbij de mechanische en elastische
eigenschappen van het printmodel vergeleken
worden met echte weefsels. Een
ander voorbeeld kan zijn voor het testen
van de positie en maat van percutane
hartkleppen in een aorta met abnormale
morfologie of coronaire anomalieën.1 Tot
slot toonde prof. Budts voorbeelden van
een 3D-print van een hart met een ventrikelseptumdefect,2 en een hart met een
abnormale en moeilijke pulmonale vasculatuur
(bv. pulmonalisvenestenose) die
de chirurg kunnen helpen om een optimale
heelkundige strategie uit te werken.
Belangrijk is om een onderscheid te maken tussen de kleinere ‘thuisprinter’-
modellen en de echt commercieel
beschikbare industriële printers. Deze
laatste zijn niet alleen veel duurder,
maar bieden meer mogelijkheden wat
de resolutie en het materiaal waarmee
geprint kan worden betreft. Eerst moeten
telkens 3D-datasets verkregen worden
via CT, MRI of zelfs echocardiografie.
Deze datasets worden dan door
een specifieke software geanalyseerd
zodat ze vervolgens ruimtelijk afgedrukt
kunnen worden. Meestal worden hiervoor
plastic polymeren gebruikt. Deze
bestaan uit zowel harde als zachte materialen
waarbij de eigenlijke print (zachte
plastic) afgedrukt wordt tegen een tegelijkertijd
uitgeprinte harde steuncomponent.
Een belangrijke applicatie in
de toekomst zal de ‘bioprinting’ zijn
waarbij het mogelijk wordt om biologisch
materiaal op een cellular niveau af
te drukken.3 Hierbij is het zelfs mogelijk
geworden om verschillende celtypen in
een vooraf bestaande matrix te printen
zoals endotheelcellen, myofibroblasten
en dergelijke.4 Hiertoe worden speciaal
ontwikkelde printers gebruikt met
een soort van inkjet- of lasersysteem.
Wanneer groeifactoren en media worden
toegevoegd, overleven 40 tot 90 %
van deze cellen de print-out. Op deze
manier kunnen zelfs verschillende celtypen
gecombineerd worden tot de afdruk
van weefsels en zelfs organen. Prof.
Budts haalt nog een preklinische studie
aan waarbij hartkleppen gemaakt werden
met afdrukken van verschillende
biologische en synthetische materialen.5
Dit heeft belangrijke implicaties voor
de toekomst waarbij nieuwe organen op
de exacte maat van de patiënt gemaakt
zouden kunnen worden.
We kunnen dus concluderen dat
3D-printing een snelle explosieve evolutie
doormaakt en dat dit meer is geworden
dan alleen een harde plastieken afdruk
van een orgaan aangezien biologische
afdrukken nu ook tot de mogelijkheden
behoren en de deur openen naar een
nieuwe wereld van orgaanfabricatie.
Genetics in cardiology: what can we
expect?
Dr. Pieter Koopman, elektrofysioloog en
cardiogeneticus, verbonden aan het Jessa
Ziekenhuis te Hasselt en de Universiteit
van Maastricht gaf een mooie audiovisuele
voordracht over de toekomstverwachtingen
in de cardiogenetica. De
cardiogenetica heeft een bijzonder snelle
evolutie gekend de laatste decennia. De
mendeliaanse overerving is ondertussen
geëvolueerd tot een complexe genetica
waarbij meerdere genen verantwoordelijk
kunnen zijn voor hetzelfde klinische
fenotype en omgekeerd. We moeten dus
verder gaan dan alleen maar kijken naar
de kliniek, en dieper graven en proberen
te ontdekken welke genetische afwijkingen
aan de basis van een bepaald klinisch
fenotype kunnen liggen. Hierbij is het
niet alleen belangrijk om de patiënt zelf,
maar ook de volledige familie in kaart te
brengen door een volledige stamboomonderzoek.
Enkele voorbeelden werden
aangehaald zoals hoe eenzelfde SCN5Amutatie
zowel kan leiden tot het lang
QTc-syndroom als tot het brugadasyndroom.
Bepaalde genetische afwijkingen
kunnen momenteel al behandeld worden
zoals enzymvervangende therapie bij de
ziekte van Fabry. De klinische implicaties
kunnen dan wel groot zijn wat de
diagnose en de behandeling betreft, maar
tot recent was de voornaamste beperking
de traagheid van de analyses alsook het
bijbehorende kostenplaatje. De evolutie
van de monogenetica naar de complexe
systeemgenetica is alleen mogelijk geworden
dankzij de hiermee gepaard gaande
technologische evolutie. Momenteel is
het zelfs mogelijk geworden om een
volledig humaan genoom te analyseren
aan de fractie van de tijd en de kostprijs.
Hierbij komen natuurlijk ook ethische
vragen over hoe we met deze informatie
om moeten gaan. Tot slot eindigde dr.
Koopman zijn voordracht met een vooruitzicht over de gentherapie die nu meer
en meer op grootschalig niveau mogelijk
zou kunnen worden dankzij de de CRISPR-techniek. Dit mechanisme laat toe
om het DNA op het even welke plaats
te knippen in een levende cel en nieuwe
gezonde fragmenten te incorporeren.
Langetermijnresultaten van
voorkamerfibrillatie- (VKF) ablatie in
1 000 patiënten
In de laatste voordracht stelde dr. Yves
De Greef, ZNA Middelheim, Antwerpen,
zijn studie voor over de langetermijnresultaten
van pulmonalevene-isolatie
in zijn centrum. Het doel van deze
studie was om na te gaan welke klinische
en aan de procedure gerelateerde parameters
het resultaat van VKF-ablatie
bepalen. Er werden 1 000 patiënten
geïncludeerd tussen de periode van 2004
tot 2014. Een succesvolle ablatie werd
gedefinieerd als de afwezigheid van voorkamerfibrillatie
(bepaald via symptomen
of elektrocardiogram) tijdens de
follow-up. De mediane duur van VKF
in de studie bedroeg 36 maanden en er
werden gemiddeld twee anti-aritmische
medicijnen per patiënt gebruikt voor de
procedure. De overgrote meerderheid
had paroxysmale VKF (95 %). Verschillende
ablatietechnieken werden gebruikt,
gaande van punt-voor-puntablatie, circumferentiële
radiofrequentie-katheterablatie,
HDMA-mesh- en het cryoballonsysteem.
Na één enkele ablatie waren
51,7%van de patiënten vrij van VKF en
het grootste succes werd verkregen het
eerste jaar na de ablatie (70%) (figuur 1).
Het viel op dat herval kon optreden
tijdens elk moment van de follow-up en
zelfs na 5 jaar, wat belangrijke implicaties heeft voor het behoud van orale anticoagulatie
bij hoogrisicopatiënten. Belangrijk
te vermelden is dat 4,7 % van de
patiënten de antiaritmica verder namen,
wat de interpretatie van het effect van de
ablatie zelf uiteraard bemoeilijkt. Wanneer
alle patiënten geanalyseerd werden,
ook diegenen met meerdere ablaties,
vonden ze dat 83 % vrij bleef van
VKF na een gemiddelde van 1,5 ablaties
(figuur 2). Deze resultaten komen dan
ook overeen met de in de literatuur reeds
beschikbare data. Met uitzondering van
het HDMA-Mesh-systeem (is al van de
markt gehaald), waren alle technieken
gelijkwaardig in efficiëntie. Tot slot, de
parameters die leidden tot een meer succesvolle
ablatie waren een kleine linkervoorkamerdiameter,
paroxysmale VKF,
en een korte tijd tussen eerste diagnose
en ablatie. De resultaten van de studie
suggereren dat VKF best zo vroeg mogelijk
aangepakt wordt in het verloop van
de ziekte, met agressieve behandeling
van de risicofactoren (o.a. hypertensie)
en dat er niet met ablatie gewacht mag
worden totdat de voorkamerremodelling
te uitgesproken wordt en de kans op succes
vermindert.
Referenties
- Schmauss, D., Schmitz, C., Bigdeli, A.K. et al. Threedimensional
printing ofmodels for preoperative planning
and simulation of transcatheter valve replacement.
Ann Thor Surg, 2012, 93, e31-33.
- Olivieri, L.J., Krieger, A., Loke, Y.H. et al. Three-dimensional
printing of intracardiac defects from threedimensional
echocardiographic images: feasibility
and relative accuracy. J Am Soc Echocard, 2015, 28,
392-397.
- Zhang, X., Zhang, Y. Tissue Engineering Applications of
Three-Dimensional Bioprinting. Cell BiochemBiophys,
2015, [Epub ahead of print].
- Gaetani, R., Doevendans, P.A.,Metz, C.H. et al. Cardiac
tissue engineering using tissue printing technology
and human cardiac progenitor cells. Biomaterials,
2012, 33, 1782-1790.
- Lueders, C., Jastram, B., Hetzer, R. et al. Rapid manufacturing
techniques for the tissue engineering of
human heart valves. Eur J Cardio-thor Surg, 2014, 46,
593-601.
Niets van de website mag gebruikt worden voor reproductie, aanpassing, verspreiding, verkoop, publicatie of commerciële doeleinden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Het is ook verboden om deze informatie elektronisch op te slaan of te gebruiken voor onwettige doeleinden.